2012
Cafetaria
12/05/12 11:14
Misschien is het wel een beetje vervelend dat het weer over eten gaat, maar ja, eten doe je drie keer per dag normaal gesproken dus er gaat toch veel tijd in zitten.
Ik ben dus weer in Frankrijk, voor twee weken maar. Er was een vriend bij me, paar daagjes slechts en mijn zusje en zwager waren er ook. We besloten met z’n vieren ergens te gaan lunchen. Middageten dus. ‘Nou zullen we jullie eens ergens mee naar toe nemen, zoiets heb je nog nooit gezien,’ zeiden mijn zusje en zwager. Wij dachten al aan iets heel speciaals, iets feestelijks en werden bij voorbaat blij. Het was in het kleine plaatsje Gras, wat zij goed kenden.
‘Echt heel bijzonder’, zeiden ze. Ik reed want mijn auto stond in de uitgangspositie. Intussen vroegen we of we wel goed genoeg gekleed waren voor zoiets speciaals. Maak je daarover maar geen zorgen antwoordden ze en ze hadden pretlichtjes in hun ogen. Dat had ons moeten waarschuwen plus het feit dat Gras wel een érg klein plaatsje is waar eigenlijk geen noemenswaardig restaurant kan zijn. Honderd zielen hooguit.
Ik parkeerde op het ommuurde buitenpleintje en we keken naar de gesloten gevelrij eeuwenoude huizen. Nergens iets van ‘n eten aankondiging te bekennen. Tussen het kerkje en een huis echter was een smalle doorgang voor voetgangers die uitgaf op een binnenpleintje. Die liepen we door en kwamen op weer een klein rond pleintje. ‘Hierlangs’, zei mijn zusje en liep een stenen trap op met enorme treden. Boven duwde ze een somber ogende deur open. Een voor een konden we naar binnen, achter elkaar aan in het smalle gangetje. Een vrouw van middelbare leeftijd in wit schort stond voor ons en heette ons welkom aan een piepkleine bar van wit plastic. Tussen de lege glazen en flessen lagen schoolschriften en een haakwerkje. ’Manger?’ vroeg ze vrolijk en ze sommeerde ons een doorgang door. Het ‘restaurantgedeelte’ was ongeveer vier bij vier en werd helemaal in beslag genomen door vier witte formica tafels. Iedereen zat al te eten want het was al kwart over een maar de tafel achterin tegen de muur was nog vrij. Jaja die wilden we maar haha, dan moest verder iedereen opstaan van z’n eten om ons door te laten. Dat gebeurde welwillend en we gaven iedereen een hand want tenslotte was het een huiskamer. Voorin zaten opa en oma en de laatste droeg slechts een dikke nachtjapon en opa was op pantoffels en was verder uitgerust in een gestreepte pyjamabroek met mismoedig koord voorin en een T-shirt. Hij rochelde veelvuldig. Aan de muren hing alleen een vlag van een voetbalclub en een ijsjesposter. De mevrouw bracht ons op verzoek een karaf rosé en vertelde wat we konden eten. Er waren twee voorgerechten waaruit we konden kiezen en slechts één hoofdgerecht. Ik zat met de rug tegen de muur en keek op de volgende tafel waaraan een ander oud omaatje zat te knoeien met haar eten. Naast haar zat haar schoonzoon, de man van de restauranthoudster. Hij at ook. Toen er een schelle stem vanuit de keuken klonk, stond hij op, veegde z’n mond af met z’n hand, verdween achter een vaal gordijn en kwam tevoorschijn met bestek dat hij zorgvuldig voor ons uitstalde.
De tafel was gedekt. Vooraf sla met tomaten, veel te veel en het hoofdgerecht waren flageoletbonen in een dikke saus waardoor het eruit zag als een enorme brij, en filet mignon. Toch verrassend lekker, vooral het vlees. Inmiddels waren we aan onze tweede karaf bezig.
Het omaatje voor mij dat nu alleen aan tafel zat (vanuit de keuken kwamen luid afwasgeluiden) zat met haar hand telkens in haar tasje. Ze verpulkte het vlees van haar bord in stukjes in haar tasje. Toen we dat zagen kregen we allemaal de slappe lach. Toen zag ik opeens in dat tasje een piepklein hondje zitten waar de stukjes vlees in gingen. Het hondje was zwart en moddervet en had nog geen kik gegeven. We kregen steeds meer lol. Toen we alles op hadden kwam de mevrouw triomfantelijk met vier piepkleine glaasjes aanzetten en een fles likeur. Een digestief, geel, iets poire-achtigs verstond ik. 45 procent. Van het huis. Ik goot het in één keer achterin mijn keelsgat. Weg is weg. Toen kreeg ik er nog een. Ik kon haar niet teleurstellen, dus die verdween ook. Toen kwam ze bij ons aan tafel zitten. De andere gasten waren weg. Ze vroeg of het goed was geweest. ‘Ge-zwel-dig!’ zei ik, for-for-mi-da- bulle… bulle’. Ik kreeg er nog een, ik zei, ‘Hik, wèg ermee!’
Foor soverkweet issiemand anders truggereden.
De volgende Het Vlees is Zwak staat in HAC Weekblad van vrijdag 25 mei. Reageren mag via guus.van.winkel@pandora.be
Ik ben dus weer in Frankrijk, voor twee weken maar. Er was een vriend bij me, paar daagjes slechts en mijn zusje en zwager waren er ook. We besloten met z’n vieren ergens te gaan lunchen. Middageten dus. ‘Nou zullen we jullie eens ergens mee naar toe nemen, zoiets heb je nog nooit gezien,’ zeiden mijn zusje en zwager. Wij dachten al aan iets heel speciaals, iets feestelijks en werden bij voorbaat blij. Het was in het kleine plaatsje Gras, wat zij goed kenden.
‘Echt heel bijzonder’, zeiden ze. Ik reed want mijn auto stond in de uitgangspositie. Intussen vroegen we of we wel goed genoeg gekleed waren voor zoiets speciaals. Maak je daarover maar geen zorgen antwoordden ze en ze hadden pretlichtjes in hun ogen. Dat had ons moeten waarschuwen plus het feit dat Gras wel een érg klein plaatsje is waar eigenlijk geen noemenswaardig restaurant kan zijn. Honderd zielen hooguit.
Ik parkeerde op het ommuurde buitenpleintje en we keken naar de gesloten gevelrij eeuwenoude huizen. Nergens iets van ‘n eten aankondiging te bekennen. Tussen het kerkje en een huis echter was een smalle doorgang voor voetgangers die uitgaf op een binnenpleintje. Die liepen we door en kwamen op weer een klein rond pleintje. ‘Hierlangs’, zei mijn zusje en liep een stenen trap op met enorme treden. Boven duwde ze een somber ogende deur open. Een voor een konden we naar binnen, achter elkaar aan in het smalle gangetje. Een vrouw van middelbare leeftijd in wit schort stond voor ons en heette ons welkom aan een piepkleine bar van wit plastic. Tussen de lege glazen en flessen lagen schoolschriften en een haakwerkje. ’Manger?’ vroeg ze vrolijk en ze sommeerde ons een doorgang door. Het ‘restaurantgedeelte’ was ongeveer vier bij vier en werd helemaal in beslag genomen door vier witte formica tafels. Iedereen zat al te eten want het was al kwart over een maar de tafel achterin tegen de muur was nog vrij. Jaja die wilden we maar haha, dan moest verder iedereen opstaan van z’n eten om ons door te laten. Dat gebeurde welwillend en we gaven iedereen een hand want tenslotte was het een huiskamer. Voorin zaten opa en oma en de laatste droeg slechts een dikke nachtjapon en opa was op pantoffels en was verder uitgerust in een gestreepte pyjamabroek met mismoedig koord voorin en een T-shirt. Hij rochelde veelvuldig. Aan de muren hing alleen een vlag van een voetbalclub en een ijsjesposter. De mevrouw bracht ons op verzoek een karaf rosé en vertelde wat we konden eten. Er waren twee voorgerechten waaruit we konden kiezen en slechts één hoofdgerecht. Ik zat met de rug tegen de muur en keek op de volgende tafel waaraan een ander oud omaatje zat te knoeien met haar eten. Naast haar zat haar schoonzoon, de man van de restauranthoudster. Hij at ook. Toen er een schelle stem vanuit de keuken klonk, stond hij op, veegde z’n mond af met z’n hand, verdween achter een vaal gordijn en kwam tevoorschijn met bestek dat hij zorgvuldig voor ons uitstalde.
De tafel was gedekt. Vooraf sla met tomaten, veel te veel en het hoofdgerecht waren flageoletbonen in een dikke saus waardoor het eruit zag als een enorme brij, en filet mignon. Toch verrassend lekker, vooral het vlees. Inmiddels waren we aan onze tweede karaf bezig.
Het omaatje voor mij dat nu alleen aan tafel zat (vanuit de keuken kwamen luid afwasgeluiden) zat met haar hand telkens in haar tasje. Ze verpulkte het vlees van haar bord in stukjes in haar tasje. Toen we dat zagen kregen we allemaal de slappe lach. Toen zag ik opeens in dat tasje een piepklein hondje zitten waar de stukjes vlees in gingen. Het hondje was zwart en moddervet en had nog geen kik gegeven. We kregen steeds meer lol. Toen we alles op hadden kwam de mevrouw triomfantelijk met vier piepkleine glaasjes aanzetten en een fles likeur. Een digestief, geel, iets poire-achtigs verstond ik. 45 procent. Van het huis. Ik goot het in één keer achterin mijn keelsgat. Weg is weg. Toen kreeg ik er nog een. Ik kon haar niet teleurstellen, dus die verdween ook. Toen kwam ze bij ons aan tafel zitten. De andere gasten waren weg. Ze vroeg of het goed was geweest. ‘Ge-zwel-dig!’ zei ik, for-for-mi-da- bulle… bulle’. Ik kreeg er nog een, ik zei, ‘Hik, wèg ermee!’
Foor soverkweet issiemand anders truggereden.
De volgende Het Vlees is Zwak staat in HAC Weekblad van vrijdag 25 mei. Reageren mag via guus.van.winkel@pandora.be
Voorschrik
27/04/12 13:32
Nog niet zo heel lang geleden in de winter ben ik samen m‘n dochter naar de tandarts geweest, of eigenlijk niet de tandarts, maar degene die het tandsteen verwijdert, de paradontoloog of zoiets. We hadden besloten om gezamenlijk een afspraak te maken want we zijn grote schijtebroeken allebei zodat we elkaar geestelijk en moreel konden steunen. En we moésten van onze tandarts eerst naar de tandsteenverwijderaar, anders had het geen zin dat hij ons nog verder behandelde, zei hij. We hebben dezelfde tandarts. Pocket-Billie. We maakten een afspraak, mijn dochter deed dat.
‘Over drie weken,’ zei ze, ‘om vijf uur ‘s middags, van vijf tot zeven. Voor ieder van ons heeft ze een uur uitgetrokken.’ Mijn god, dat werd dus een uur in de martelstoel, lichtpuntje was dat het pas over drie weken was. Dat duurde nog enorm lang. De eerste week was er nog niks aan de hand, af en toe dacht ik er zelfs een hele dag niet aan. Maar na anderhalve week begon ik me toch zorgen te maken. Wanneer we elkaar zagen ging het over ons tandsteen. ‘Ik heb een vriendin,’ zei mijn dochter ‘n keer, ‘en die is ook bij die paradinges geweest en ze heeft haar hele gebit laten doen, zonder verdoving! En bloeden, bloéden!’ ‘Maar ze verdooft toch wel!’ kreet ik uit. De para was een ‘zij'. ‘Ja natuurlijk, maar mijn vriendin wilde niet, ze wordt altijd ziek na een verdoving.’ Dit klonk niet echt allemaal bemoedigend, om niet te zeggen verschrikkelijk.
Drie dagen voor we moesten gaan zagen we elkaar weer en keken elkaar somber aan. ‘Je moet maar denken,’ zei ze, ‘ na een uurtje ben je ervan af.’ Ik liet een enge kreun horen.
Twee dagen voor we moesten gaan, belde ik haar: ‘Wat denk je, zouden we nog af kunnen zeggen, ik voel me een beetje grieperig en ik wil dat arme mens niet aansteken.’ ’Mam, gluiperd! Je mankeert niks!’ riep ze, ’we gààn hoor!’
De avond ervoor kwam ze bij me thuis. Ze ging zitten en zei: ’Ze gaan met een naaldje tussen je tand en het tandvlees, heel diep en beginnen dan te slijpen. En ze hakken ook, als het heel hard is en ze het niet weg krijgen.’ Ze keek me ontzet aan en zei op doffe toon: ‘Ik denk niet dat ik ga, ik kan dat niet aan, ik heb zulke enorme pockets.’ Nu was ik weer de flinke: ‘Nee, juist jij moet nu gaan, je bent nog jong, daarna ben je blij, ‘t is maar even, een klein uurtje en je kunt een verdoving vragen, echt, het stelt niks voor, ik heb erover nagedacht.’
‘Maar je had toch griep?’ snufte ze, ’we kunnen toch niet gaan, zo?’
‘Ik rijd wel,’ zei ik, ‘jij op de terugweg’. (het was in Hasselt)
De volgende dag om vier uur ‘s middags haalde ik haar op. We hadden geen smoes meer kunnen bedenken, er was niks ergs gebeurd, in de categorie tsunami, niks. In de auto hadden we van de zenuwen de slappe lach. In een buitenwijk van Hasselt moesten we een poosje naar het goede huis zoeken. De voordeur was aan de zijkant van het huis. We drukten op de bel, we moesten allebei plassen, heel erg. Er deed niemand open. We moesten zo erg plassen ineens dat we op de stoep moesten gaan zitten. Daar moesten we toen zo erg van lachen dat we het echt verschrikkelijk moeilijk kregen. Ik zat te wiebelen op de stoep en dreigde: ‘Als ze niet gauw opendoet gà ik. En kom ik nooit meer terug. Plus ik plas hier in de heg.’ Mijn dochter keek langs me heen en zei wijzend naar de andere voordeur, ook op de zijkant: ’Volgens mij is het dààr.’ We keken, ja, daar was het. Een heel ander soort zijkant van het huis, met een verlichte praktijkruimte, hoe hadden we dat kunnen missen. We liepen naar de andere kant en belden aan. Er ging meteen een zoemer. We konden binnen. Meteen zagen we een toilet. Daar schoot ik in. ’Jij mag eerst bij de tanddinges,’ zei ik. Dat hadden we afgesproken.
Ik heb me laten verdoven. Ik zal niet zeggen dat het erg meeviel, dat niet, een uur is toch een uur en je ligt daar machteloos en het bloedde best wel. Mijn dochter was erg flink en we waren gillend opgelucht toen we er na twee uur uit kwamen. Het regende, gelukkig, zo spoelde de stoep aan de overkant tenminste ook weer schoon…
De volgende Het Vlees is Zwak staat in HAC Weekblad van vrijdag 11 mei. Reageren kan via guus.van.winkel@pandora.be
‘Over drie weken,’ zei ze, ‘om vijf uur ‘s middags, van vijf tot zeven. Voor ieder van ons heeft ze een uur uitgetrokken.’ Mijn god, dat werd dus een uur in de martelstoel, lichtpuntje was dat het pas over drie weken was. Dat duurde nog enorm lang. De eerste week was er nog niks aan de hand, af en toe dacht ik er zelfs een hele dag niet aan. Maar na anderhalve week begon ik me toch zorgen te maken. Wanneer we elkaar zagen ging het over ons tandsteen. ‘Ik heb een vriendin,’ zei mijn dochter ‘n keer, ‘en die is ook bij die paradinges geweest en ze heeft haar hele gebit laten doen, zonder verdoving! En bloeden, bloéden!’ ‘Maar ze verdooft toch wel!’ kreet ik uit. De para was een ‘zij'. ‘Ja natuurlijk, maar mijn vriendin wilde niet, ze wordt altijd ziek na een verdoving.’ Dit klonk niet echt allemaal bemoedigend, om niet te zeggen verschrikkelijk.
Drie dagen voor we moesten gaan zagen we elkaar weer en keken elkaar somber aan. ‘Je moet maar denken,’ zei ze, ‘ na een uurtje ben je ervan af.’ Ik liet een enge kreun horen.
Twee dagen voor we moesten gaan, belde ik haar: ‘Wat denk je, zouden we nog af kunnen zeggen, ik voel me een beetje grieperig en ik wil dat arme mens niet aansteken.’ ’Mam, gluiperd! Je mankeert niks!’ riep ze, ’we gààn hoor!’
De avond ervoor kwam ze bij me thuis. Ze ging zitten en zei: ’Ze gaan met een naaldje tussen je tand en het tandvlees, heel diep en beginnen dan te slijpen. En ze hakken ook, als het heel hard is en ze het niet weg krijgen.’ Ze keek me ontzet aan en zei op doffe toon: ‘Ik denk niet dat ik ga, ik kan dat niet aan, ik heb zulke enorme pockets.’ Nu was ik weer de flinke: ‘Nee, juist jij moet nu gaan, je bent nog jong, daarna ben je blij, ‘t is maar even, een klein uurtje en je kunt een verdoving vragen, echt, het stelt niks voor, ik heb erover nagedacht.’
‘Maar je had toch griep?’ snufte ze, ’we kunnen toch niet gaan, zo?’
‘Ik rijd wel,’ zei ik, ‘jij op de terugweg’. (het was in Hasselt)
De volgende dag om vier uur ‘s middags haalde ik haar op. We hadden geen smoes meer kunnen bedenken, er was niks ergs gebeurd, in de categorie tsunami, niks. In de auto hadden we van de zenuwen de slappe lach. In een buitenwijk van Hasselt moesten we een poosje naar het goede huis zoeken. De voordeur was aan de zijkant van het huis. We drukten op de bel, we moesten allebei plassen, heel erg. Er deed niemand open. We moesten zo erg plassen ineens dat we op de stoep moesten gaan zitten. Daar moesten we toen zo erg van lachen dat we het echt verschrikkelijk moeilijk kregen. Ik zat te wiebelen op de stoep en dreigde: ‘Als ze niet gauw opendoet gà ik. En kom ik nooit meer terug. Plus ik plas hier in de heg.’ Mijn dochter keek langs me heen en zei wijzend naar de andere voordeur, ook op de zijkant: ’Volgens mij is het dààr.’ We keken, ja, daar was het. Een heel ander soort zijkant van het huis, met een verlichte praktijkruimte, hoe hadden we dat kunnen missen. We liepen naar de andere kant en belden aan. Er ging meteen een zoemer. We konden binnen. Meteen zagen we een toilet. Daar schoot ik in. ’Jij mag eerst bij de tanddinges,’ zei ik. Dat hadden we afgesproken.
Ik heb me laten verdoven. Ik zal niet zeggen dat het erg meeviel, dat niet, een uur is toch een uur en je ligt daar machteloos en het bloedde best wel. Mijn dochter was erg flink en we waren gillend opgelucht toen we er na twee uur uit kwamen. Het regende, gelukkig, zo spoelde de stoep aan de overkant tenminste ook weer schoon…
De volgende Het Vlees is Zwak staat in HAC Weekblad van vrijdag 11 mei. Reageren kan via guus.van.winkel@pandora.be
White Spirit
13/04/12 10:33
De dag begon als alle andere: Opstaan, ontbijten en honden uitlaten. Bij ontbijten hoort krant lezen. Rond tien uur reed ik naar de supermarkt, ook al niks bijzonders, gewoon iets wat moet gebeuren. Onderweg in de auto heb ik meestal de zender Ned. 1 aanstaan, het nieuws, praatprogramma’s met gasten, gewoon om een beetje bij te blijven. Af en toe geef ik hardop deskundig commentaar, meestal bestaande uit: ‘Och, man, eikel, lul toch niet‘. Even later ben ik bij de supermarkt. Ik had nog steeds geen enkel voorgevoel van wat dat rondje supermarkt me zou brengen. Het ging zoals altijd. Voor de deur zag ik een bekende en wisselde er wat woorden mee. Maar meteen binnen in de winkel viel mijn oog opeens op een man.
Er was iets aan hem…. Iets… ja, ik wist eigenlijk niet wat. Ik besloot hem een beetje te volgen, in de gaten te houden, zeg maar. Dat heb ik echt nog nooit gedaan hoor, iemand met een karretje in de supermarkt schaduwen. Ik zag meteen dat hij zich verdacht gedroeg bij de groentes. Ik had nog niks in m’n karretje liggen, hij ook niet. Opeens keek hij schichtig om zich heen, naar links en naar rechts alsof hij moest oversteken en kneep in ‘n appel. Zonder die appel in een plastic zakje te doen legde hij hem in z’n karretje. Vreemd. Ik besloot te kijken wat hij verder nog pakte en hield hem onopvallend in het oog. Hij was niet onknap, niet dat ik het daarom deed, nee, hij was niet mijn type, maar iemand die eerst naar links en rechts kijkt en dan opeens een appel in z’n karretje legt, is in mijn ogen nog altijd verdacht. Ik nam ook appels, twee, deed ze snel in een zakje en liep achter hem aan, zogenaamd alleen maar aandacht voor de waren in de winkel. Toen sloop hij naar het toiletpapier, er is geen ander woord voor dan sluipen en intussen tastte hij naar zijn middel waar zich een dikke bult bevond. Jezus zeg, straks was het zo’n terrorist en ging hij de winkel opblazen met een bom om z’n middel gebonden. Je hoorde tegenwoordig niet anders, maar in Budel? Een beetje met angstig kloppend hart nu, maar toch koppig liep ik achter hem aan. Uiterlijk zou het best een Arabier kunnen zijn, vermomd als Brabander, met afgeschoren baard en snor, spijkerbroek, ski-jack en een gebreide sjaal in plaats van een theedoek.
Hij nam een eenpersoonsmaaltijd voor de magnetron. Aah, misschien was het wel een onschuldig gescheiden man die nu voor het eerst voor zichzelf boodschappen moest doen. Hij bestudeerde het pak langdurig met toegeknepen ogen. Misschien zocht hij naar een datum of mocht hij geen gluten. Ik gooide ook snel iets magnetronnigs in m’n kar. Trouwens van dichtbij zag hij er lang niet slecht uit. Misschien… kon ik... nee, eerst maar even kijken, straks was het toch weer gewoon een terrorist. Hij liep naar het vak waar de vuilniszakken lagen en bukte zich om een fles white spirit te pakken. White spirit!! Daar maken ze bommen mee! Ja, ik gebruik het om m'n schilderkwasten mee schoon te maken, maar hij...! ‘n Appel, white spirit, en ja hoor, hij legde ook een grote doos lucifers in z’n karretje. Ik zou hem zelf kunnen maken, die bom. Moest ik het personeel niet waarschuwen? Hij begon zowaar tussen z’n tanden te fluiten. Hij reed rechtstreeks naar de kassa. Ik er dapper achteraan. Hij greep naar de buidel onder z’n jack. Ik wilde al waarschuwend m’n arm opsteken, maar er kwam een portemonnee tevoorschijn. Hij betaalde, ook de appel en liep meteen door naar buiten. Ik volgde hem, was zo klaar bij de kassa. Buiten stond hij me op te wachten. ‘Ik zag je wel,’ zei hij. ‘Ken je mij niet meer? Ik ben de broer van Lucy. Ik woon hier sinds kort weer. Ik ken jou nog wel, jij schildert, ik schilder ook, net als jij.’ Hij lachte met aangename tanden: ’Je hebt helemaal niks in je karretje. Vind je het leuk om oude herinneringen op te halen? Zullen we vanavond samen gaan eten?’
Nu zag ik het. Hij is zo oud als ik. Ik vond hem vroeger al leuk. We spraken wat af.
Haha… ‘n date, ‘n echte date, niks internet, gewoon boodschappen doen en ze komen bij bosjes op je af. Nou ja, bosjes…
De volgende Het Vlees is Zwak staat in HAC Weekblad van vrijdag 27 april. Reageren kan via guus.van.winkel@pandora.be
Er was iets aan hem…. Iets… ja, ik wist eigenlijk niet wat. Ik besloot hem een beetje te volgen, in de gaten te houden, zeg maar. Dat heb ik echt nog nooit gedaan hoor, iemand met een karretje in de supermarkt schaduwen. Ik zag meteen dat hij zich verdacht gedroeg bij de groentes. Ik had nog niks in m’n karretje liggen, hij ook niet. Opeens keek hij schichtig om zich heen, naar links en naar rechts alsof hij moest oversteken en kneep in ‘n appel. Zonder die appel in een plastic zakje te doen legde hij hem in z’n karretje. Vreemd. Ik besloot te kijken wat hij verder nog pakte en hield hem onopvallend in het oog. Hij was niet onknap, niet dat ik het daarom deed, nee, hij was niet mijn type, maar iemand die eerst naar links en rechts kijkt en dan opeens een appel in z’n karretje legt, is in mijn ogen nog altijd verdacht. Ik nam ook appels, twee, deed ze snel in een zakje en liep achter hem aan, zogenaamd alleen maar aandacht voor de waren in de winkel. Toen sloop hij naar het toiletpapier, er is geen ander woord voor dan sluipen en intussen tastte hij naar zijn middel waar zich een dikke bult bevond. Jezus zeg, straks was het zo’n terrorist en ging hij de winkel opblazen met een bom om z’n middel gebonden. Je hoorde tegenwoordig niet anders, maar in Budel? Een beetje met angstig kloppend hart nu, maar toch koppig liep ik achter hem aan. Uiterlijk zou het best een Arabier kunnen zijn, vermomd als Brabander, met afgeschoren baard en snor, spijkerbroek, ski-jack en een gebreide sjaal in plaats van een theedoek.
Hij nam een eenpersoonsmaaltijd voor de magnetron. Aah, misschien was het wel een onschuldig gescheiden man die nu voor het eerst voor zichzelf boodschappen moest doen. Hij bestudeerde het pak langdurig met toegeknepen ogen. Misschien zocht hij naar een datum of mocht hij geen gluten. Ik gooide ook snel iets magnetronnigs in m’n kar. Trouwens van dichtbij zag hij er lang niet slecht uit. Misschien… kon ik... nee, eerst maar even kijken, straks was het toch weer gewoon een terrorist. Hij liep naar het vak waar de vuilniszakken lagen en bukte zich om een fles white spirit te pakken. White spirit!! Daar maken ze bommen mee! Ja, ik gebruik het om m'n schilderkwasten mee schoon te maken, maar hij...! ‘n Appel, white spirit, en ja hoor, hij legde ook een grote doos lucifers in z’n karretje. Ik zou hem zelf kunnen maken, die bom. Moest ik het personeel niet waarschuwen? Hij begon zowaar tussen z’n tanden te fluiten. Hij reed rechtstreeks naar de kassa. Ik er dapper achteraan. Hij greep naar de buidel onder z’n jack. Ik wilde al waarschuwend m’n arm opsteken, maar er kwam een portemonnee tevoorschijn. Hij betaalde, ook de appel en liep meteen door naar buiten. Ik volgde hem, was zo klaar bij de kassa. Buiten stond hij me op te wachten. ‘Ik zag je wel,’ zei hij. ‘Ken je mij niet meer? Ik ben de broer van Lucy. Ik woon hier sinds kort weer. Ik ken jou nog wel, jij schildert, ik schilder ook, net als jij.’ Hij lachte met aangename tanden: ’Je hebt helemaal niks in je karretje. Vind je het leuk om oude herinneringen op te halen? Zullen we vanavond samen gaan eten?’
Nu zag ik het. Hij is zo oud als ik. Ik vond hem vroeger al leuk. We spraken wat af.
Haha… ‘n date, ‘n echte date, niks internet, gewoon boodschappen doen en ze komen bij bosjes op je af. Nou ja, bosjes…
De volgende Het Vlees is Zwak staat in HAC Weekblad van vrijdag 27 april. Reageren kan via guus.van.winkel@pandora.be
Jarretels
29/03/12 14:50
Ik ben jullie nog een etentje schuldig. Ja, om te vertellen. Ik heb namelijk een etentje gegeven in Frankrijk waar ik vorige week geweest ben om orde op zaken te stellen. Zogenaamd dan, ik heb niks gedaan natuurlijk, alleen in de zon gezeten en verder een beetje gestofzuigd en hier en daar wat spinnenwebben weggeveegd op de dag dat mijn gasten kwamen, donderdag, twee echtparen. Ik had ze in een vlaag van overmoed, waanzin kun je eigenlijk wel zeggen, uitgenodigd, op de dag ervoor, marktdag, toen we elkaar troffen in het stadje, meer precies: in het café. Het was stralend weer en mijn onbezorgdheid kende geen grenzen. De dag ervoor was ik uitgenodigd bij een van die twee echtparen om daar te eten dus ik vond toch dat ik wat terug moest doen. Het andere echtpaar, ook Nederlanders kende ik wel niet zo goed, maar ik had altijd met haar te doen, ze vecht al jaren tegen een uitgezaaide kanker en ze geeft de moed maar niet op en is altijd opgewekt en vrolijk, een lange, broodmagere en aardige vrouw.
Dus ik kocht ‘s morgens in de supermarkt, 6 km verder, allemaal gezonde dingen, veel groentes, fruit en dikmakers. Het is toch heel wat anders om voor jezelf een quiche in de oven te leggen of voor 5 mensen een viergangenmaaltijd klaar te maken. Ik had de hondjes vrijgegeven (ze hebben het trouwens voortreffelijk gedaan, zowel heen- als terugreis, negen uur, dat is toch 18 uur, geen kreet, geen blaf, geen gezanik, berustend lagen ze alle drie in hun mandje voornamelijk te slapen, ideaal).
Jaja, dat etentje, komt eraan. In een helder ogenblik dacht ik er opeens aan om alvast de eieren te koken. En het vlees legde ik in een marinade, en ‘s middags al maakte ik de soep. Vijf enorme tomaten, een paprika, ik slachtte een hele selderij, kookte alles en ging er toen met de roerstaaf doorheen, bouillonblokken erbij en het was een mooie, smakelijke, gezonde gladde massa die ik ‘s avonds alleen maar op hoefde te warmen. Voor gang nummer twee heb ik even op internet moeten kijken hoe dat moest: dat waren namelijk groene dunne asperges die ik op de markt had gekocht, en gelukkig hoefde je die niet te schillen van internet. Mooi. Er stond ook dat je de porties vast kunt verdelen en er dan een touwtje of zo omheen kunt doen en ze zo koken. Dat leek me wel wat en daarna heb ik dan ook een uur gezocht naar een stukje touw. Heel even dacht ik jaloers aan Gerard Coenen met altijd een bolletje touw op zak. Ik vond uiteindelijk wat draadjes tussen de jarretels in het oude naaimandje van mijn moeder, Jezus zeg, daar zaten een hoop jarretels in, wat deed ze daar eigenlijk mee, zo verbleekt rose, ik werd er helemaal weemoedig van; ook vond ik nog een doosje vol knopen en pakjes naalden, ach, ons mam toch. Weet je wat: ik bond die jarretels om de asperges, dat gaf het etentje iets intiems. Verrek, het paste precies en ik kon ze natuurlijk ook rustig meekoken, een jarretel heeft wel voor heter vuren gestaan. Het was vier uur. Ik ging de tafel dekken en vast de houtkachel aanmaken want ’s avonds werd het koud. Ik zette de borrelhapjes vast op de tafel bij de kachel waaromheen het bankstel stond. De kachel loeide en knapperde, gezellig, maar ze zouden pas om half zeven komen.
Als eerste arriveerde het ’onbekende’ echtpaar, meteen daarna mijn vrienden. Allemaal lustten ze wijn. De vrouwen zagen er stralend uit en ‘onbekende’ zij was naar de kapper geweest. We borrelden ruim een uur; ze prezen mijn kachel en met rode koontjes stonden ze op om aan tafel te gaan. Na de soep waarbij ik streng zei om vooral niet teveel door de soep te waden, er zaten toch geen balletjes in, kwamen de asperges met jarretels, gekookte ham en roombotersaus, o ja en de hardgekookte eieren. Heerlijk. De jarretels hoefden ze niet op te eten. Toen moesten ze even wachten, maar ze kwetterden er lustig op los intussen dat ik de spinazie met twee handen in de pan naar beneden probeerde te duwen. Daarna de staafmixer er weer door, room erbij, vlees gebraden, groentenspagetti gemaakt. Alles op, hup, weg met die borden, toen aardbeien met slagroom. Aardbeien in een suikermarinade, allemaal een eigen schaaltje. Kaas, vier verschillende, stokbrood, niemand hoefde meer, koffie met een chocolade paasei, ook niemand meer, alleen de mannen. Nog wat wijn. Twaalf uur gingen ze weg. Ik duwde ze de deur uit want ze wilden helpen afwassen en dat mag niet. Het was pikkedonker ondanks dat de sterren aan de hemel stonden, maar ze hadden zelf zaklampen. Nou, was dat geslaagd of niet?
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende V:ees is Zwak staat in de editie van 13 april.
Dus ik kocht ‘s morgens in de supermarkt, 6 km verder, allemaal gezonde dingen, veel groentes, fruit en dikmakers. Het is toch heel wat anders om voor jezelf een quiche in de oven te leggen of voor 5 mensen een viergangenmaaltijd klaar te maken. Ik had de hondjes vrijgegeven (ze hebben het trouwens voortreffelijk gedaan, zowel heen- als terugreis, negen uur, dat is toch 18 uur, geen kreet, geen blaf, geen gezanik, berustend lagen ze alle drie in hun mandje voornamelijk te slapen, ideaal).
Jaja, dat etentje, komt eraan. In een helder ogenblik dacht ik er opeens aan om alvast de eieren te koken. En het vlees legde ik in een marinade, en ‘s middags al maakte ik de soep. Vijf enorme tomaten, een paprika, ik slachtte een hele selderij, kookte alles en ging er toen met de roerstaaf doorheen, bouillonblokken erbij en het was een mooie, smakelijke, gezonde gladde massa die ik ‘s avonds alleen maar op hoefde te warmen. Voor gang nummer twee heb ik even op internet moeten kijken hoe dat moest: dat waren namelijk groene dunne asperges die ik op de markt had gekocht, en gelukkig hoefde je die niet te schillen van internet. Mooi. Er stond ook dat je de porties vast kunt verdelen en er dan een touwtje of zo omheen kunt doen en ze zo koken. Dat leek me wel wat en daarna heb ik dan ook een uur gezocht naar een stukje touw. Heel even dacht ik jaloers aan Gerard Coenen met altijd een bolletje touw op zak. Ik vond uiteindelijk wat draadjes tussen de jarretels in het oude naaimandje van mijn moeder, Jezus zeg, daar zaten een hoop jarretels in, wat deed ze daar eigenlijk mee, zo verbleekt rose, ik werd er helemaal weemoedig van; ook vond ik nog een doosje vol knopen en pakjes naalden, ach, ons mam toch. Weet je wat: ik bond die jarretels om de asperges, dat gaf het etentje iets intiems. Verrek, het paste precies en ik kon ze natuurlijk ook rustig meekoken, een jarretel heeft wel voor heter vuren gestaan. Het was vier uur. Ik ging de tafel dekken en vast de houtkachel aanmaken want ’s avonds werd het koud. Ik zette de borrelhapjes vast op de tafel bij de kachel waaromheen het bankstel stond. De kachel loeide en knapperde, gezellig, maar ze zouden pas om half zeven komen.
Als eerste arriveerde het ’onbekende’ echtpaar, meteen daarna mijn vrienden. Allemaal lustten ze wijn. De vrouwen zagen er stralend uit en ‘onbekende’ zij was naar de kapper geweest. We borrelden ruim een uur; ze prezen mijn kachel en met rode koontjes stonden ze op om aan tafel te gaan. Na de soep waarbij ik streng zei om vooral niet teveel door de soep te waden, er zaten toch geen balletjes in, kwamen de asperges met jarretels, gekookte ham en roombotersaus, o ja en de hardgekookte eieren. Heerlijk. De jarretels hoefden ze niet op te eten. Toen moesten ze even wachten, maar ze kwetterden er lustig op los intussen dat ik de spinazie met twee handen in de pan naar beneden probeerde te duwen. Daarna de staafmixer er weer door, room erbij, vlees gebraden, groentenspagetti gemaakt. Alles op, hup, weg met die borden, toen aardbeien met slagroom. Aardbeien in een suikermarinade, allemaal een eigen schaaltje. Kaas, vier verschillende, stokbrood, niemand hoefde meer, koffie met een chocolade paasei, ook niemand meer, alleen de mannen. Nog wat wijn. Twaalf uur gingen ze weg. Ik duwde ze de deur uit want ze wilden helpen afwassen en dat mag niet. Het was pikkedonker ondanks dat de sterren aan de hemel stonden, maar ze hadden zelf zaklampen. Nou, was dat geslaagd of niet?
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende V:ees is Zwak staat in de editie van 13 april.
Lente
16/03/12 09:52
Het gemoed zit vol lente. Sinds afgelopen zondag. Het heeft ook weer zo verrekkus lang geduurd voordat het weer een beetje weer werd. De vogeltjes floten eindelijk weer eens op volle sterkte, het speurde naar groen en het rook naar fris en naar tierelier. Dikke hommels vlogen als verdwaasd langs de ramen en je kon gewoon in je handmatig gebreide truitje buiten zitten die afgelopen zondag de 11e. Je kon ook fietsen, wandelen, sportrennen en doortrappen, maar met een boek in de zon zitten en het in je schoot laten rusten en met het gezicht geheven naar de warmte was zeker zo prettig. Pimpelmeesjes vlogen af en aan vanuit de nestkastjes en een boosaardige merel sloeg een zorgelijk musje een toastje pinda uit de hand. Sjefke hapte naar alles wat vloog, zoemde en bewoog en rende af en toe met een bek vol ontuchtige dingen in het rond. Voorjaar kortom.
De volgende dag was het allemaal wat minder maar bij ons in atelier Rosé heerste nog steeds een opgewekte stemming. Tijdens het lunchuurtje bespraken wij het nieuws van alledag op luchtige toon. Beatrix was weer aan het werk, had iemand de hand geschud en wat geopend. Mooi. Het zal wel geen raam geweest zijn. PSV had drie maal op rij verloren en dat kon niemand veel schelen, maar trainer Rutten kreeg de schuld en dat vonden we toch wel oneerlijk. Er was een belangrijk iemand uit de kast gekomen en een van onze Belgische vrouwen verklaarde triomfantelijk dat zij toch wel de meest ruimdenkende regering in Europa hadden met een homosexuele minister president. Ja, wij vonden dat ook allemaal mooi maar de Nederlanders hadden minister de Jager die ook homo is en dubbel zo dik dus wij hoorden er ook bij. Maar zij waren allebei al lang uit de kast. Toen kregen we het over het fenomeen ’uit de kast komen’ wat eigenlijk wel een grappige, overdrachtelijke uitdrukking is voor het bekennen dat je homosexueel bent, al dan niet nadat er een half leven aan vooraf gegaan is. Letterlijk uit de kast komen bestaat immers niet meer, of ja, alleen bij mopjes over echtgenoten die vervroegd en onverwacht thuiskomen en waarbij de minnaar van de vrouw moet maken dat hij als een haas in de kast komt, waarbij het moment dat hij uit de kast komt als afsluiter van de mop geldt. (Komt lijn 7 nou nog langs of niet?).
Hoe dan ook, ondanks het mindere weer was er toch weer het lentegevoel en ik vertrek as zaterdag dan ook naar Frankrijk voor een eerste week daar. Ik heb al luisterboeken voor heen- en terugweg, gekregen van mijn kinderen nog van Sinterklaas. En die heb ik natuurlijk nog niet beluisterd omdat ik ze heb willen sparen voor de heen- en terugreis naar Frankrijk. Ik kan op het moment nu niet echt geconcentreerd iets schrijven omdat ik met m’n hoofd bij de voorbereidingen zit en de reis en wat ik allemaal voor die drie honden mee moet nemen. Hoe zal ik ze in de auto indelen? Sjefke in z'n mandje op de achterbank en de twee andere honden achterin of zo en ik moet nieuwe achterinmanden kopen want Sjefke heeft er twee verwoest en hoe zal het onderweg gaan op zo'n lange rit want Dora en Sjefke zijn twee nieuwe hondenreizigers en misschien was het toch wel handig als er eens iemand meeging, maar ja. Zorgen, zorgen. Wanneer ik terug ben, krijgen jullie een mooi verhaal over hoe het gaat in Frankrijk. Misschien ga ik wel weer aan bij Georgette en André.
Terwijl ik dit zit te tikken hoor ik achter me een scheurend geluid: wat denk je: Sjefke zit in de kast en probeert de onderste rij boeken op te vreten. ‘Verdorie Sjefke,’ roep ik, ‘kom nondeju uit de kast!’.

Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende V:ees is Zwak staat in de editie van 30 maart
De volgende dag was het allemaal wat minder maar bij ons in atelier Rosé heerste nog steeds een opgewekte stemming. Tijdens het lunchuurtje bespraken wij het nieuws van alledag op luchtige toon. Beatrix was weer aan het werk, had iemand de hand geschud en wat geopend. Mooi. Het zal wel geen raam geweest zijn. PSV had drie maal op rij verloren en dat kon niemand veel schelen, maar trainer Rutten kreeg de schuld en dat vonden we toch wel oneerlijk. Er was een belangrijk iemand uit de kast gekomen en een van onze Belgische vrouwen verklaarde triomfantelijk dat zij toch wel de meest ruimdenkende regering in Europa hadden met een homosexuele minister president. Ja, wij vonden dat ook allemaal mooi maar de Nederlanders hadden minister de Jager die ook homo is en dubbel zo dik dus wij hoorden er ook bij. Maar zij waren allebei al lang uit de kast. Toen kregen we het over het fenomeen ’uit de kast komen’ wat eigenlijk wel een grappige, overdrachtelijke uitdrukking is voor het bekennen dat je homosexueel bent, al dan niet nadat er een half leven aan vooraf gegaan is. Letterlijk uit de kast komen bestaat immers niet meer, of ja, alleen bij mopjes over echtgenoten die vervroegd en onverwacht thuiskomen en waarbij de minnaar van de vrouw moet maken dat hij als een haas in de kast komt, waarbij het moment dat hij uit de kast komt als afsluiter van de mop geldt. (Komt lijn 7 nou nog langs of niet?).
Hoe dan ook, ondanks het mindere weer was er toch weer het lentegevoel en ik vertrek as zaterdag dan ook naar Frankrijk voor een eerste week daar. Ik heb al luisterboeken voor heen- en terugweg, gekregen van mijn kinderen nog van Sinterklaas. En die heb ik natuurlijk nog niet beluisterd omdat ik ze heb willen sparen voor de heen- en terugreis naar Frankrijk. Ik kan op het moment nu niet echt geconcentreerd iets schrijven omdat ik met m’n hoofd bij de voorbereidingen zit en de reis en wat ik allemaal voor die drie honden mee moet nemen. Hoe zal ik ze in de auto indelen? Sjefke in z'n mandje op de achterbank en de twee andere honden achterin of zo en ik moet nieuwe achterinmanden kopen want Sjefke heeft er twee verwoest en hoe zal het onderweg gaan op zo'n lange rit want Dora en Sjefke zijn twee nieuwe hondenreizigers en misschien was het toch wel handig als er eens iemand meeging, maar ja. Zorgen, zorgen. Wanneer ik terug ben, krijgen jullie een mooi verhaal over hoe het gaat in Frankrijk. Misschien ga ik wel weer aan bij Georgette en André.
Terwijl ik dit zit te tikken hoor ik achter me een scheurend geluid: wat denk je: Sjefke zit in de kast en probeert de onderste rij boeken op te vreten. ‘Verdorie Sjefke,’ roep ik, ‘kom nondeju uit de kast!’.

Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende V:ees is Zwak staat in de editie van 30 maart
Amsterdam
01/03/12 10:20
Vanaf ons twaalfde zijn we al bevriend, vanaf de eerste klas middelbare school. Alleen, mijn vriendin woont in Amsterdam en ik ben hier blijven hangen. Afgelopen weekend ben ik weer bij haar op bezoek geweest. Ik ga vaker naar haar dan zij naar mij komt, maar we mailen en bellen en zien elkaar toch regelmatig. Ik ging met de trein, mijn ene kind bracht me naar Weert en het andere zou me Zondagavond daar weer op komen halen. De honden had ik ook eerlijk verdeeld onder hen. De grootste en makkelijkste plus het kleine stoute Sjefke bij mijn zoon en lieve Dora bij mijn dochter.
Toen ik in de trein zat slaakte ik een zucht van verlichting; alles goed geregeld, een weekendje Amsterdam kon beginnen. Ondanks dat ik al heel veel keer in Amsterdam ben geweest, krijg ik toch steeds iets provincialerigs als ik daar eenmaal uit de trein stap. Vroeger ging ik met de tram naar haar toe, tegenwoordig neem ik een taxi omdat ik de nieuwste kaartjestechnieken van het openbaar vervoer niet snap. Zo‘n kluns ben ik nou. Ze woont gelukkig vlak bij het Concertgebouw, niet zo ver dus en dus niet zo duur ook met de taxi. Ze heeft een vriend, een uitwonende dochter en een piepklein hondje. Ze is professor aan de UVA in de Nederlandse Letterkunde, en schrijft boeken, essays en zo die prijzen krijgen. Ze is van tijd tot tijd op tv. Zodra ik haar zag, was alles weer meteen zoals altijd, zoals vroeger dus. Zaterdagavond gingen we naar de opera. Daarom was ik bij haar. Ze had me gebeld in januari al, ik moést en zou die opera zien. Haar vriend had een kaartje voor me gekocht. De voorstelling begon om 7 uur ’s avonds. Het was de opera Ernani van Verdi en hij was in het Tuschinski theater. Heb jij er bezwaar tegen om te fietsen, vroeg ze me. Haar vriend heeft een auto maar ze doen alles per fiets, je kunt je auto daar immers nergens kwijt. Ik fiets nooit. Ik heb niet eens een fiets; ja sinds ’n jaar of drie heb ik een ouwe rammelkast die een familielid bij me gestald heeft die wist dat ik geen fiets had. Ik ben er blij mee. Af en toe, als ik het schuurtje binnenloop zie ik hem staan, helemaal onder het stof en denk dan opeens weer blij: o ja, ik heb een fiéts. Twee jaar geleden heb ik er nog eens op gereden. Maar nu kreeg ik de fiets van haar dochter, zorgzaam gaf ze me handschoenen want het was koud en haar vriend regelde de lichten van de fiets. Kun je bij de trappers? Ik moest even laten zien bij hun op het trottoir dat ik erbij kon. Toen gingen we. Vriend voorop, mijn vriendin daarachter en toen ik dààr weer achter met de schrik in m’n lijf. Het was hartstikke druk, overal fietsers, trams, auto’s, stoplichten, grachtbruggetjes omhoog en af, de terugtraprem werkte niet erg. Ik hield mijn vriendin voor me stug in het oog. Als zij haar arm uitstak, deed ik dat ook. Ik keek nergens naar, alleen naar haar rug voor me. Ik zag niks, ik remde alleen als zij remde wanneer het rood was. Opeens schoot me het boek ‘Tonio’ van A.F.Th. van der Heijden te binnen. Hij beschrijft daar de dood van zijn zoon Tonio, die fietsend door Amsterdam door een auto werd aangereden en gedood. Een prachtig boek, onvergetelijk helaas, want opeens verwachtte ik aangereden te worden. Maar ik joeg voort en na twintig minuten waren we er. Ik zat bij haar in de loge. We kregen zoveel gratis drankjes als we wilden. De opera was schitterend. Ik dronk zoveel dat de terugweg op de fiets een waar feest werd, ik zou nog uren door kunnen fietsen, het was trouwens ook minder druk. Het was heerlijk zo door Amsterdam te fietsen. Wat een totaal andere wereld is dat toch.
De volgende dag in de trein las ik in haar laatste boek, dat ze me gegeven had: Het waren essays, briljant.
In Weert stond mijn dochter me op te wachten. Op het perron. Met als verrassing mijn kleine, lieve wegloopDora die nooit meer wegloopt, aan de lijn en die me dol van vreugde begroette en maar om me heen en tegen me aan bleef dansen en springen. (Dora, bedoel ik, mijn dochter gaf me een kus)
Mooi dat het op deze manier kan: het ene leven leiden en van het andere proeven.
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be
Toen ik in de trein zat slaakte ik een zucht van verlichting; alles goed geregeld, een weekendje Amsterdam kon beginnen. Ondanks dat ik al heel veel keer in Amsterdam ben geweest, krijg ik toch steeds iets provincialerigs als ik daar eenmaal uit de trein stap. Vroeger ging ik met de tram naar haar toe, tegenwoordig neem ik een taxi omdat ik de nieuwste kaartjestechnieken van het openbaar vervoer niet snap. Zo‘n kluns ben ik nou. Ze woont gelukkig vlak bij het Concertgebouw, niet zo ver dus en dus niet zo duur ook met de taxi. Ze heeft een vriend, een uitwonende dochter en een piepklein hondje. Ze is professor aan de UVA in de Nederlandse Letterkunde, en schrijft boeken, essays en zo die prijzen krijgen. Ze is van tijd tot tijd op tv. Zodra ik haar zag, was alles weer meteen zoals altijd, zoals vroeger dus. Zaterdagavond gingen we naar de opera. Daarom was ik bij haar. Ze had me gebeld in januari al, ik moést en zou die opera zien. Haar vriend had een kaartje voor me gekocht. De voorstelling begon om 7 uur ’s avonds. Het was de opera Ernani van Verdi en hij was in het Tuschinski theater. Heb jij er bezwaar tegen om te fietsen, vroeg ze me. Haar vriend heeft een auto maar ze doen alles per fiets, je kunt je auto daar immers nergens kwijt. Ik fiets nooit. Ik heb niet eens een fiets; ja sinds ’n jaar of drie heb ik een ouwe rammelkast die een familielid bij me gestald heeft die wist dat ik geen fiets had. Ik ben er blij mee. Af en toe, als ik het schuurtje binnenloop zie ik hem staan, helemaal onder het stof en denk dan opeens weer blij: o ja, ik heb een fiéts. Twee jaar geleden heb ik er nog eens op gereden. Maar nu kreeg ik de fiets van haar dochter, zorgzaam gaf ze me handschoenen want het was koud en haar vriend regelde de lichten van de fiets. Kun je bij de trappers? Ik moest even laten zien bij hun op het trottoir dat ik erbij kon. Toen gingen we. Vriend voorop, mijn vriendin daarachter en toen ik dààr weer achter met de schrik in m’n lijf. Het was hartstikke druk, overal fietsers, trams, auto’s, stoplichten, grachtbruggetjes omhoog en af, de terugtraprem werkte niet erg. Ik hield mijn vriendin voor me stug in het oog. Als zij haar arm uitstak, deed ik dat ook. Ik keek nergens naar, alleen naar haar rug voor me. Ik zag niks, ik remde alleen als zij remde wanneer het rood was. Opeens schoot me het boek ‘Tonio’ van A.F.Th. van der Heijden te binnen. Hij beschrijft daar de dood van zijn zoon Tonio, die fietsend door Amsterdam door een auto werd aangereden en gedood. Een prachtig boek, onvergetelijk helaas, want opeens verwachtte ik aangereden te worden. Maar ik joeg voort en na twintig minuten waren we er. Ik zat bij haar in de loge. We kregen zoveel gratis drankjes als we wilden. De opera was schitterend. Ik dronk zoveel dat de terugweg op de fiets een waar feest werd, ik zou nog uren door kunnen fietsen, het was trouwens ook minder druk. Het was heerlijk zo door Amsterdam te fietsen. Wat een totaal andere wereld is dat toch.
De volgende dag in de trein las ik in haar laatste boek, dat ze me gegeven had: Het waren essays, briljant.
In Weert stond mijn dochter me op te wachten. Op het perron. Met als verrassing mijn kleine, lieve wegloopDora die nooit meer wegloopt, aan de lijn en die me dol van vreugde begroette en maar om me heen en tegen me aan bleef dansen en springen. (Dora, bedoel ik, mijn dochter gaf me een kus)
Mooi dat het op deze manier kan: het ene leven leiden en van het andere proeven.
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be
Oma's
17/02/12 11:05
Ik ben oma Hamont. Ter onderscheid van oma Budel. Vroeger heette ik oma Rosé, maar dat wilde oma Maastricht niet hebben dat haar kleinzoon een oma had die oma Rosé heette, dus werd ik oma Hamont. De andere kleinzoons (acht en zes) die niet oma Maastricht als mede-oma (ik zeg expres niet concurrerende oma) hebben, hebben dus oma Budel nog. Hoewel er een tijd is geweest dat ik heel veel oppaste op alle drie de kleinzoons, is dat nu wat minder geworden. Op het moment is oma Budel het meest aan de macht en arme oma Maastricht woont sowieso te ver weg en heeft reeds een defecte knie. Ten opzichte van oma Maastricht, (samen delen we de oudste kleinzoon) voelde ik me altijd te kort schieten omdat ze altijd ’culturele dingen met hem deed’ en ik niet. Ze nam hem mee naar musea door het hele land, ze had een spoorwegknipkaart of zoiets en ik denk dat het jong al wel tien musea van binnen heeft gezien toen hij nog geen acht was. Nu is hij dertien en nu heeft zij die knie dus loopt ze nu weer iets achter. Maar eigenlijk wilde ik u vertellen over de oudste van de twee andere kleinzoons, die van acht dus. Even tussendoor: de jongste van zes slaat mij af en toe gewoon terwijl hij voorbij rent op m’n achterste. Iets verderop staat hij dan te lachen, dat zegt genoeg over mijn omaschap. Totaal geen respect hebben ze voor me. Ze vertellen ook ‘n beetje schuine moppen tegen me, die ze zelf waarschijnlijk niet snappen, hoop ik dan toch maar.
Maar oma Budel staat dik op punten voor. Ze 1) haalt ze af en toe uit school hier in Hamont bij de Robbert terwijl ik amper weet uit welke uitgang ze moeten komen. 2) Ze gaat met ze schaatsen, ze blijft dan zelf wel aan de kant zitten, maar ze neemt ze toch maar mee. 3) Ze gaat met ze naar het zwembad terwijl ik al ineenkrimp als ik de badhokjes zie met al die druipende dingen en natte uitschuifvloeren. Ik ga hooguit als het een beetje goed weer is, buiten met ze voetballen, maar dan moet het droog zijn en niet koud en ik wil niet de hele tijd in de goal want dan krijg ik die keiharde ballen tegen m’n armen aan, en weer ‘n blauwe plek.
Maar nu komt het ergste: of ja, het ergste, het ergste is dus waar ik het meest jaloers op ben: ze heeft die van acht 4) leren borduren. ’n Jongen die voetbalt, hard loopt, in een week keigoed en hard heeft leren schaatsen, heeft zij leren borduren. Ik wilde het eerst niet geloven. Tot ik het bewijs zag. Het lapje waar hij in een perfect rechte lijn kruissteekjes op geborduurd had, helemaal in de rondte van het lapje. Geen steekje verkeerd, nergens krom getrokken, geen smoezelige vingers erop, geen trossen draden aan de onderkant. Een meesterwerk. In het midden stond zijn naam en daaronder 20. Er moest nog de naam van de maand en het geboortejaar onder. De tranen schoten me in de ogen, waarom weet ik niet. Ik zag alleen het lapje, zijn moeder liet het me zien terwijl hij op school was.
‘n Paar dagen geleden was ik weer bij hun. Waar is de oudste? vroeg ik. Buiten met z’n sleetje of bij ’n vriendje? Nee, zeiden ze, hij is bij oma Budel, weer borduren.
Hij maakt een nieuw werkje met twee konijntjes en een vogeltje. Ach, ik was toch wel jaloers. In gedachten zag ik ze samen aan hun tafel in Budel bijeen zitten, met het garen en de lapjes, hij met z’n kleine garnalenvingertjes die vaardig de naald hanteerden en met een blos op z’n wangen van inspanning, z’n tongetje tussen z’n tanden ter begeleiding van het gepriegel. Ze dronken samen thee en praatten over de vorm van het konijntje en de mooie kleuren van het vogeltje, misschien wel een roodborstje. Oma Budel gaf kalm aanwijzingen. Maar hij wilde alles zelf doen, ze mocht niet helpen. Ze mocht alleen wijzen. Dit tafereeltje dat ik voor me zag was klassiek: zo moet een oma zijn.
Ik ga maar eens een legpuzzel op tafel leggen, van 1000 stukjes. Schaaltje koekjes erbij…. Choco… Misschien zijn er nog wat punten te scoren en is nog niet alles verloren….
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende 'Het Vlees is Zwak' staat in HAC Weekblad van vrijdag 2 maart.
Maar oma Budel staat dik op punten voor. Ze 1) haalt ze af en toe uit school hier in Hamont bij de Robbert terwijl ik amper weet uit welke uitgang ze moeten komen. 2) Ze gaat met ze schaatsen, ze blijft dan zelf wel aan de kant zitten, maar ze neemt ze toch maar mee. 3) Ze gaat met ze naar het zwembad terwijl ik al ineenkrimp als ik de badhokjes zie met al die druipende dingen en natte uitschuifvloeren. Ik ga hooguit als het een beetje goed weer is, buiten met ze voetballen, maar dan moet het droog zijn en niet koud en ik wil niet de hele tijd in de goal want dan krijg ik die keiharde ballen tegen m’n armen aan, en weer ‘n blauwe plek.
Maar nu komt het ergste: of ja, het ergste, het ergste is dus waar ik het meest jaloers op ben: ze heeft die van acht 4) leren borduren. ’n Jongen die voetbalt, hard loopt, in een week keigoed en hard heeft leren schaatsen, heeft zij leren borduren. Ik wilde het eerst niet geloven. Tot ik het bewijs zag. Het lapje waar hij in een perfect rechte lijn kruissteekjes op geborduurd had, helemaal in de rondte van het lapje. Geen steekje verkeerd, nergens krom getrokken, geen smoezelige vingers erop, geen trossen draden aan de onderkant. Een meesterwerk. In het midden stond zijn naam en daaronder 20. Er moest nog de naam van de maand en het geboortejaar onder. De tranen schoten me in de ogen, waarom weet ik niet. Ik zag alleen het lapje, zijn moeder liet het me zien terwijl hij op school was.
‘n Paar dagen geleden was ik weer bij hun. Waar is de oudste? vroeg ik. Buiten met z’n sleetje of bij ’n vriendje? Nee, zeiden ze, hij is bij oma Budel, weer borduren.
Hij maakt een nieuw werkje met twee konijntjes en een vogeltje. Ach, ik was toch wel jaloers. In gedachten zag ik ze samen aan hun tafel in Budel bijeen zitten, met het garen en de lapjes, hij met z’n kleine garnalenvingertjes die vaardig de naald hanteerden en met een blos op z’n wangen van inspanning, z’n tongetje tussen z’n tanden ter begeleiding van het gepriegel. Ze dronken samen thee en praatten over de vorm van het konijntje en de mooie kleuren van het vogeltje, misschien wel een roodborstje. Oma Budel gaf kalm aanwijzingen. Maar hij wilde alles zelf doen, ze mocht niet helpen. Ze mocht alleen wijzen. Dit tafereeltje dat ik voor me zag was klassiek: zo moet een oma zijn.
Ik ga maar eens een legpuzzel op tafel leggen, van 1000 stukjes. Schaaltje koekjes erbij…. Choco… Misschien zijn er nog wat punten te scoren en is nog niet alles verloren….
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende 'Het Vlees is Zwak' staat in HAC Weekblad van vrijdag 2 maart.
Chocolaatjes
03/02/12 14:43
Lang had ik er tegen gevochten, maar nu, nu stond ik op, liep naar de kast, opende de deur die een beetje klemde en greep naar de doos waar de chocolade truffels in zaten. Ik kon er niks aan doen. Ik kon deze handeling niet meer stop zetten; in mijn geest was deze al verricht, dus het geschiedde ook zo, zoals er in de bijbel staat. Op het moment dat ik in de winkel de doos truffels kocht, was het al gebeurd bij wijze van spreken. ‘Voor als er eens iemand komt’ zei mijn moeder vroeger en ze had haar hele kast vol lekkers. De snoepkast noemden wij die. Ik kwam dan. Ik liep naar de snoepkast en at een suikerspekje. Heerlijk, mijn moeder had de verrukkelijkste spekjes aller tijden. Geef er mij ook een, zei ze dan. Hadden we het op. Nog maar een, zei ze dan. Daar denk ik met blije weemoed aan terug. Aan mijn moeder, die zo onbekommerd met me mee snoepte. Ach, mooie herinneringen. Nou mag ik niks meer van mezelf. Ik koop nooit lekkers, ook niet ‘voor als er eens iemand komt’, dan heeft die iemand gewoon pech. Want de ervaring heeft me geleerd dat ik het al lang op heb voordat er iemand komt. Dus koop ik niks meer want ik eet het meteen op. Vooral chocola.
Maar nu had ik dus een doosje truffels gekocht. Ik wist waar ze stonden in de supermarkt. Meestal weet ik er wel voorbij te komen, maar deze keer niet. Het lag al in m’n karretje voor ik er erg in had. Chocolade slagroomsoesjes zijn nog erger. Die van Albert Heijn, God hebbe zijn ziel, zijn het allerergst. Als ik daar de winkel binnenkom, staat er al een stralenbundel gericht op het vak waar ze liggen. Niet naar de soesjes kijken, niet naar de soesjes kijken, zeg ik dan in mezelf, gewoon voorbij lopen, ze zijn vies, de slagroom is bedorven, bah! Soms red ik het niet en koop zo’n doosje. Er zitten er tien of twaalf in. Als ik heb afgerekend zet ik de boodschappen achterin de auto, maar de soesjes haal ik er uit en zet ze naast me neer op de passagiersstoel. Eéntje mag ik er voor onderweg, zeg ik tegen mezelf. Niemand spreekt tegen en dan is het echt moeilijk hoor om eraf te blijven. Ik eet er een, vooruit, nog eentje dan. Als ik bij het stoplicht van bakker Teeuwen sta heb ik er al drie op. Is het rood, dan volgt de vierde. Dan word ik gelukkig een beetje misselijk en moet ik even wachten tot thuis voordat ik verder ga. Ik zet het restant in de koelkast. Na een paar uur liggen er nog een of twee, soms drie in. ‘s Avonds zijn ze allemaal op, ook als er niemand gekomen is. Vooral als er niemand gekomen is. Want als er iemand komt, moet ik die iets aanbieden als ik er zelf een zou nemen en dus neem ik er geen want dan heb ik er zelf weer een minder. Ja ja, ik heb niet zo’n gezellig karakter hoor. En vooral als die iemand dan een man is, is het helemaal erg. Mannen steken zo’n ding in z’n geheel in hun mond. Bam, en dan maar kauwen. Weerzinwekkend gewoon. Zo eet je geen soesjes of chocolaatjes. Daar bijt je stukjes af, kleine smulstukjes.
Toen mijn hond kwijt was kwam ik moeiteloos de winkel door, ik dàcht niet eens aan soesjes of chocola. Ik zag ze niet eens staan. Ik dacht alleen maar aan mijn hondje dat weg was. In die vijf weken tijd ben ik moeiteloos, zonder erg eigenlijk twee kilo afgevallen. Maar nu, nu ik hier met drie hondjes zit en er veel vreugde bij de beestjes is en bij mij, denk ik weer aan chocola. En moet ik weer strijden tegen mezelf.
Maar goed, ik deed dus de kast open, greep naar het doosje en opende het in de kast. Als ik het meeneem en ergens op de tafel zet, ben ik echt verloren. Ik haal er twee uit. Twee mag, ik heb nog niks op vandaag. Alleen ontbijt. Een zielige krekker. Eerst koffie maken, dan smaken de truffels nog lekkerder. Haal ik dat nog? Koffie maken eerst? Nee, ik haal het niet, ik heb al een stukje van de eerste af gebeten en nou smelt die in mijn mond. Heerlijk, de tweede volgt al, dan maar geen koffie erbij. Of toch koffie zetten nu en dan een derde erbij nemen?
Help!
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende 'Het Vlees is Zwak' leest u in HAC Weekblad van vrijdag 17 februari.
Maar nu had ik dus een doosje truffels gekocht. Ik wist waar ze stonden in de supermarkt. Meestal weet ik er wel voorbij te komen, maar deze keer niet. Het lag al in m’n karretje voor ik er erg in had. Chocolade slagroomsoesjes zijn nog erger. Die van Albert Heijn, God hebbe zijn ziel, zijn het allerergst. Als ik daar de winkel binnenkom, staat er al een stralenbundel gericht op het vak waar ze liggen. Niet naar de soesjes kijken, niet naar de soesjes kijken, zeg ik dan in mezelf, gewoon voorbij lopen, ze zijn vies, de slagroom is bedorven, bah! Soms red ik het niet en koop zo’n doosje. Er zitten er tien of twaalf in. Als ik heb afgerekend zet ik de boodschappen achterin de auto, maar de soesjes haal ik er uit en zet ze naast me neer op de passagiersstoel. Eéntje mag ik er voor onderweg, zeg ik tegen mezelf. Niemand spreekt tegen en dan is het echt moeilijk hoor om eraf te blijven. Ik eet er een, vooruit, nog eentje dan. Als ik bij het stoplicht van bakker Teeuwen sta heb ik er al drie op. Is het rood, dan volgt de vierde. Dan word ik gelukkig een beetje misselijk en moet ik even wachten tot thuis voordat ik verder ga. Ik zet het restant in de koelkast. Na een paar uur liggen er nog een of twee, soms drie in. ‘s Avonds zijn ze allemaal op, ook als er niemand gekomen is. Vooral als er niemand gekomen is. Want als er iemand komt, moet ik die iets aanbieden als ik er zelf een zou nemen en dus neem ik er geen want dan heb ik er zelf weer een minder. Ja ja, ik heb niet zo’n gezellig karakter hoor. En vooral als die iemand dan een man is, is het helemaal erg. Mannen steken zo’n ding in z’n geheel in hun mond. Bam, en dan maar kauwen. Weerzinwekkend gewoon. Zo eet je geen soesjes of chocolaatjes. Daar bijt je stukjes af, kleine smulstukjes.
Toen mijn hond kwijt was kwam ik moeiteloos de winkel door, ik dàcht niet eens aan soesjes of chocola. Ik zag ze niet eens staan. Ik dacht alleen maar aan mijn hondje dat weg was. In die vijf weken tijd ben ik moeiteloos, zonder erg eigenlijk twee kilo afgevallen. Maar nu, nu ik hier met drie hondjes zit en er veel vreugde bij de beestjes is en bij mij, denk ik weer aan chocola. En moet ik weer strijden tegen mezelf.
Maar goed, ik deed dus de kast open, greep naar het doosje en opende het in de kast. Als ik het meeneem en ergens op de tafel zet, ben ik echt verloren. Ik haal er twee uit. Twee mag, ik heb nog niks op vandaag. Alleen ontbijt. Een zielige krekker. Eerst koffie maken, dan smaken de truffels nog lekkerder. Haal ik dat nog? Koffie maken eerst? Nee, ik haal het niet, ik heb al een stukje van de eerste af gebeten en nou smelt die in mijn mond. Heerlijk, de tweede volgt al, dan maar geen koffie erbij. Of toch koffie zetten nu en dan een derde erbij nemen?
Help!
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende 'Het Vlees is Zwak' leest u in HAC Weekblad van vrijdag 17 februari.
Weerstand
20/01/12 13:36
Okay, ik weet gewoon dat jullie het leuk vinden om hier in de HAC te lezen dat een mens ook problemen kan hebben. Van die ellende die iedereen wel eens meemaakt en waarvan je dan lekker kunt gnuiven: haha, ja dat ken ik, dat is erg, hihi, dat heb ik pas zelf nog meegemaakt.
M’n verwarming was dus kapot. Of kapot, kapot precies, dat ook weer niet. Hij deed het wel maar hij sprong iedere keer weer uit. Dan voelde ik het koud worden in huis na een uur of zo en voelde aan de verwarming: ijskoud. Ik naar buiten, de verwarmingsknop waar ik op moet drukken om hem weer aan te krijgen ligt buiten in een ander hok, uitsluitend van buitenaf te bereiken. Eerst dacht ik nog: beetje harde wind, flakkert uit, maar toen ik drie dagen steeds maar heen en weer moest lopen kwam ik opeens op het grandioze idee om een verwarmingsman te bellen.
Die kwam meteen. Hij klopte hard op het keukenraam zodat alle honden dachten van oei, ‘n inbrekert, baasje, mogen we die eens hartelijk in het been happen? Ze blaften, meer van schrik dan van waaks. Half uur later was de verwarming gerepareerd. Gelukkig. Monteur kwam binnen, waste z’n handen en schreef daarna aan de keukentafel de rekening per computer die hij ter plekke uitprintte. En ik kon hem meteen ook betalen, want hij had een bijpassend kastje mee waar ik de pinkaart in kon stoppen. Makkelijk, zo krijg ik dus geen rekening meer die dan weer weken ongeopend in de fruitschaal hoeft te liggen. Ook weer geregeld, een mooi, lekker warm oudjaar kondigde zich aan.
Maar daarna merkte ik dat ik een steeds koudere douche had. Ik had niet gemerkt dat het water in huis niet warm meer was, ik gebruik alleen onder de douche warm water. Maar op een morgen stond ik opeens onder een echt koude douche te gillen en te krijsen en te bibberen, de shampoo kreeg ik niet meer uit m’n haren, die stijf en plakkerig bleven na het fohnen. Ik belde de man van de verwarming weer. Nu geeft de boiler geen warm water meer meneer, wat nu? Hij kwam meteen. Het was een andere monteur: ik vraag: kan dat komen van kapotte verwarming? Week geleden ongeveer gerepareerd. Man schudt z’n hoofd en lachte beleefd (domme vlouw hij denken in chinees, vlouwen nooit iets beglijpen). Zo’n soort lachje was het. Toen sloeg hij aan het onderzoeken. Hij liep een paar keer op en neer naar de meterkast met enge schroevendraaiers en vreemde, geluidmakende kastjes. Hij vroeg: hoe oud is de boiler? Ik zei maar wat, tien jaar. Was een gok. Ik keek daarbij overtuigend en streng, want anders moest ik natuurlijk weer een nieuwe boiler. Hij schudde z’n hoofd. Van zoiets word ik altijd erg ongerust. Toen kwam hij terug met een grote tas: Mevrouw: weerstandje kapot. Aah, zeg ik, dan kan het weerstandje toch gemaakt? Nee, hij schudde dat hoofd weer. Weerstandje moet besteld, is er op z’n vroegst morgen. Dat begreep ik niet. Waarom zat die tas niet vol weerstandjes. Hoe groot is helemaal een weerstandje? Vijf centimeter? Hoe ziet een levend weerstandje eruit? Ik stel mij dat voor als een grote Y met kleine rode kronkelwormpjes opzij. De monteur komt pas morgen terug. Ik kan dus niet douchen en moet zachtjes doorstinken. Het is een uur of drie later en ik voel om mij heen: opeens gealarmeerd en grijp in de lucht. Lucht is koud. Ik voel aan de verwarming. Ook koud. Hoe kan dat? De verwarming was goed. Maar nu niet meer. Ik loop naar ‘t hok. Daar is alles dood, de boiler, de verwarming, alles is koud en donker. Ik loop terug naar huis. Lichten aan, en bel de monteur. Het is al te laat. Krijg niemand meer aan de lijn, iedereen eet warm eten en kijkt lekker warm tv of staat onder een warme douche. Ik werd niet boos. Wel gooide ik iets kapot. Buiten.
Okay, dan red ik mezelf wel, ik loop naar ‘t schuurtje, haal houtblokken, veel houtblokken. Steek de haard aan in de kamer, de kachel doet ‘t goed en de kamer wordt langzaam weer warm. Ik zit op de bank en drink wijn en gooi steeds nieuwe houtblokken in de haard. Volgende morgen half negen komt de monteur. Weer een andere. Hij maakt de verwarming, hij maakt de boiler met ‘n nieuwe weerstand van ‘n halve meter groot dat eruit zag als een muziekinstrument voor een groot orkest op Java. Het werd weer warm in huis en twee uur later kon ik weer douchen. Wat een luxe!
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende 'Het Vlees is Zwak' leest u in HAC Weekblad van vrijdag 3 februari.
M’n verwarming was dus kapot. Of kapot, kapot precies, dat ook weer niet. Hij deed het wel maar hij sprong iedere keer weer uit. Dan voelde ik het koud worden in huis na een uur of zo en voelde aan de verwarming: ijskoud. Ik naar buiten, de verwarmingsknop waar ik op moet drukken om hem weer aan te krijgen ligt buiten in een ander hok, uitsluitend van buitenaf te bereiken. Eerst dacht ik nog: beetje harde wind, flakkert uit, maar toen ik drie dagen steeds maar heen en weer moest lopen kwam ik opeens op het grandioze idee om een verwarmingsman te bellen.
Die kwam meteen. Hij klopte hard op het keukenraam zodat alle honden dachten van oei, ‘n inbrekert, baasje, mogen we die eens hartelijk in het been happen? Ze blaften, meer van schrik dan van waaks. Half uur later was de verwarming gerepareerd. Gelukkig. Monteur kwam binnen, waste z’n handen en schreef daarna aan de keukentafel de rekening per computer die hij ter plekke uitprintte. En ik kon hem meteen ook betalen, want hij had een bijpassend kastje mee waar ik de pinkaart in kon stoppen. Makkelijk, zo krijg ik dus geen rekening meer die dan weer weken ongeopend in de fruitschaal hoeft te liggen. Ook weer geregeld, een mooi, lekker warm oudjaar kondigde zich aan.
Maar daarna merkte ik dat ik een steeds koudere douche had. Ik had niet gemerkt dat het water in huis niet warm meer was, ik gebruik alleen onder de douche warm water. Maar op een morgen stond ik opeens onder een echt koude douche te gillen en te krijsen en te bibberen, de shampoo kreeg ik niet meer uit m’n haren, die stijf en plakkerig bleven na het fohnen. Ik belde de man van de verwarming weer. Nu geeft de boiler geen warm water meer meneer, wat nu? Hij kwam meteen. Het was een andere monteur: ik vraag: kan dat komen van kapotte verwarming? Week geleden ongeveer gerepareerd. Man schudt z’n hoofd en lachte beleefd (domme vlouw hij denken in chinees, vlouwen nooit iets beglijpen). Zo’n soort lachje was het. Toen sloeg hij aan het onderzoeken. Hij liep een paar keer op en neer naar de meterkast met enge schroevendraaiers en vreemde, geluidmakende kastjes. Hij vroeg: hoe oud is de boiler? Ik zei maar wat, tien jaar. Was een gok. Ik keek daarbij overtuigend en streng, want anders moest ik natuurlijk weer een nieuwe boiler. Hij schudde z’n hoofd. Van zoiets word ik altijd erg ongerust. Toen kwam hij terug met een grote tas: Mevrouw: weerstandje kapot. Aah, zeg ik, dan kan het weerstandje toch gemaakt? Nee, hij schudde dat hoofd weer. Weerstandje moet besteld, is er op z’n vroegst morgen. Dat begreep ik niet. Waarom zat die tas niet vol weerstandjes. Hoe groot is helemaal een weerstandje? Vijf centimeter? Hoe ziet een levend weerstandje eruit? Ik stel mij dat voor als een grote Y met kleine rode kronkelwormpjes opzij. De monteur komt pas morgen terug. Ik kan dus niet douchen en moet zachtjes doorstinken. Het is een uur of drie later en ik voel om mij heen: opeens gealarmeerd en grijp in de lucht. Lucht is koud. Ik voel aan de verwarming. Ook koud. Hoe kan dat? De verwarming was goed. Maar nu niet meer. Ik loop naar ‘t hok. Daar is alles dood, de boiler, de verwarming, alles is koud en donker. Ik loop terug naar huis. Lichten aan, en bel de monteur. Het is al te laat. Krijg niemand meer aan de lijn, iedereen eet warm eten en kijkt lekker warm tv of staat onder een warme douche. Ik werd niet boos. Wel gooide ik iets kapot. Buiten.
Okay, dan red ik mezelf wel, ik loop naar ‘t schuurtje, haal houtblokken, veel houtblokken. Steek de haard aan in de kamer, de kachel doet ‘t goed en de kamer wordt langzaam weer warm. Ik zit op de bank en drink wijn en gooi steeds nieuwe houtblokken in de haard. Volgende morgen half negen komt de monteur. Weer een andere. Hij maakt de verwarming, hij maakt de boiler met ‘n nieuwe weerstand van ‘n halve meter groot dat eruit zag als een muziekinstrument voor een groot orkest op Java. Het werd weer warm in huis en twee uur later kon ik weer douchen. Wat een luxe!
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende 'Het Vlees is Zwak' leest u in HAC Weekblad van vrijdag 3 februari.
Voornemens
06/01/12 14:44
Ieder jaar weer maak ik een goed voornemen. Gemiddeld genomen houdt zo’n voornemen twee dagen stand, of nog niet eens. Soms zijn het goede voornemens, soms verstandige, maar altijd voor mij vervelend. Of lastig. Want als het vanzelf ging hoefde het geen voornemen meer te zijn.
Vorige week moest ik om een adres voor een kerstkaart naar toe te sturen te achterhalen, een oude agenda opzoeken. Ik bewaar al mijn oude agenda’s. Soms staat er helemaal niks in, andere jaren wat meer, meestal heel weinig. Een jaar had ik mij voorgenomen dat ik voortaan in m’n agenda (gekregen van de bank) zou schrijven wat ik gekocht had die dag. Zo zou ik mijzelf beperken, dacht ik, in ondoordachte aankopen, doordat ik ‘s avonds het lijstje van die dag door moést nemen (ook een onderdeel van het voornemen) en hoofdschuddend bij mezelf zou denken, wat stom dat ik dat gekocht heb. Waar had ik dàt in hemelsnaam voor nodig? De vierde dag al schreef ik niks meer, (de derde was toevallig een Zondag). Zo liep ook dit goede voornemen met een sisser af. Als het al een goed voornemen was dan. Voorin de agenda van afgelopen jaar, 2011 dus, staat keurig mijn naam en adres, en op 2 januari 2010 zijn enkele aankopen vermeld, een badborstel, een hondenmand, vogelvoer en een speelgoedtelefoontje en voor de rest niks meer. (Supermarktartikelen hoeven niet gelukkig) De tweede dag dat ik de gekochte spullen wilde noteren, was ik ‘s avonds al weer vergeten wat ik gekocht had. Dat is natuurlijk ook erg. Verder dan een boek en een tijdschrift kwam ik niet, hoewel ik wist dat er nog iets moest zijn geweest. Dat is de vloek van het bankpasje. Je vergeet het bedrag. Er stonden twee vraagtekens onder op die dag. Bloemen? Flessen wijn? Dat zijn levensmiddelen en horen bij de eerste levensbehoeften, bij het basispakket zal ik maar zeggen. Ik pakte een willlekeurige agenda van een ander jaar, 2003 toevallig en daar stond behalve naam en adres ook helemaal niks, behalve op de eerste bladzijden, daar stond op 2 januari alleen ’goed gedaan’ en op 3 januari ook ’goed gedaan’ en op 4 januari stond er, ’’n beetje gedaan’ en daarna helemaal niks meer. Op wat voor voornemen dat in hemelsnaam sloeg weet ik niet meer. Wel stond er op 16 januari nog een keer K.N.M., en dat was alles dat jaar.
2004 idem, mijn naam en adres netjes ingevuld, op 1 januari stond er niks, op 2 januari stond er: ‘Dr.Verl. K in stbgels, ziet g zzegt enz. haha‘, en verder is de agenda blanco. Ik ritste de agenda door en zag alleen op 20 mei ’mooi weer’ staan en dat was het. Ik dacht diep na. Iéts moest ik toch van plan geweest zijn na te komen, getuige die vreemde afkortingen. Ik concentreerde me en kwam tot de conclusie dat het het jaar moest zijn dat ik iedere dag iets leuks op wilde schrijven dat ik zelf bedacht had. Zo zou ik dan op het eind van het jaar een moppenboek hebben met 365 mopjes, zeg maar. Behalve dat tekstje was ik niet verder gekomen. In het jaar 2005 had ik een soort randvoornemen gemaakt, een voornemen dat ik er vroeger al ieder jaar ’bijnam’ maar nu tot ‘hoofdvoornemen’ gebombardeerd had, maar het mislukt altijd al op de eerste dag. De laatste jaren maakte ik daarvan geen melding meer in de agenda’s, maar vroeger schreef ik keurig netjes, al op 1 januari: Mislukt! in de agenda en de volgende dag: Weer Mislukt!, daarna W.M. en dan weer WM en dan niets meer.
Dat sloeg op de jaren dat ik mij voornam om per dag niet meer dan twee glazen wijn te drinken. Dat is me nooit gelukt behalve wanneer ik nog in de auto moest, ziek was of de verantwoording had over kinderen. Of gewoon geen zin had. Kwam ook wel eens voor.
Maar nu, afgelopen zaterdag, oudjaar had ik een enorme pak WC-papier gekocht want het was helemaal op, op allebei de toiletten. Het liep al tegen vier uur. Kom ik thuis, blijken het keukenrollen te zijn. Ik vloeken, ik was écht aan ‘t laatste rolletje. Ik bezit echter een elektrisch vleessnijmes, waar ik afgelopen kerstmis nog voor 18 man de vidékip mee had gesneden. Werkte perfekt. Okay, dacht ik, ik halveer de keukenrollen met het vleesmes en maak er aldus toiletrollen van.
Ik ging aan de slag op het aanrecht. Het mes maakte een onheilspellend bijgeluid en het ging onverwacht uiterst moeizaam. Ik was al vijf minuten aan ‘t zagen toen ik opeens ploef! hoorde en er duizenden witte viltsnippers door de keuken dwarrelden. Het mes rook naar brandwonden. Goed, dan moest ik tot maandag de keukenrollen maar integraal gebruiken op het toilet. Sjefke heeft de tijd van z’n leven. Juichend rent hij door het huis, met steeds nieuwe snippers in z’n bek. Toch heel anders dan steeds een hele krant verscheuren. Voornemen voor 2012: kijk wat er in je karretje ligt.
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be - De volgende column van Het Vlees is Zwak leest u in HAC Weekblad van vrijdag 20 januari.
Vorige week moest ik om een adres voor een kerstkaart naar toe te sturen te achterhalen, een oude agenda opzoeken. Ik bewaar al mijn oude agenda’s. Soms staat er helemaal niks in, andere jaren wat meer, meestal heel weinig. Een jaar had ik mij voorgenomen dat ik voortaan in m’n agenda (gekregen van de bank) zou schrijven wat ik gekocht had die dag. Zo zou ik mijzelf beperken, dacht ik, in ondoordachte aankopen, doordat ik ‘s avonds het lijstje van die dag door moést nemen (ook een onderdeel van het voornemen) en hoofdschuddend bij mezelf zou denken, wat stom dat ik dat gekocht heb. Waar had ik dàt in hemelsnaam voor nodig? De vierde dag al schreef ik niks meer, (de derde was toevallig een Zondag). Zo liep ook dit goede voornemen met een sisser af. Als het al een goed voornemen was dan. Voorin de agenda van afgelopen jaar, 2011 dus, staat keurig mijn naam en adres, en op 2 januari 2010 zijn enkele aankopen vermeld, een badborstel, een hondenmand, vogelvoer en een speelgoedtelefoontje en voor de rest niks meer. (Supermarktartikelen hoeven niet gelukkig) De tweede dag dat ik de gekochte spullen wilde noteren, was ik ‘s avonds al weer vergeten wat ik gekocht had. Dat is natuurlijk ook erg. Verder dan een boek en een tijdschrift kwam ik niet, hoewel ik wist dat er nog iets moest zijn geweest. Dat is de vloek van het bankpasje. Je vergeet het bedrag. Er stonden twee vraagtekens onder op die dag. Bloemen? Flessen wijn? Dat zijn levensmiddelen en horen bij de eerste levensbehoeften, bij het basispakket zal ik maar zeggen. Ik pakte een willlekeurige agenda van een ander jaar, 2003 toevallig en daar stond behalve naam en adres ook helemaal niks, behalve op de eerste bladzijden, daar stond op 2 januari alleen ’goed gedaan’ en op 3 januari ook ’goed gedaan’ en op 4 januari stond er, ’’n beetje gedaan’ en daarna helemaal niks meer. Op wat voor voornemen dat in hemelsnaam sloeg weet ik niet meer. Wel stond er op 16 januari nog een keer K.N.M., en dat was alles dat jaar.
2004 idem, mijn naam en adres netjes ingevuld, op 1 januari stond er niks, op 2 januari stond er: ‘Dr.Verl. K in stbgels, ziet g zzegt enz. haha‘, en verder is de agenda blanco. Ik ritste de agenda door en zag alleen op 20 mei ’mooi weer’ staan en dat was het. Ik dacht diep na. Iéts moest ik toch van plan geweest zijn na te komen, getuige die vreemde afkortingen. Ik concentreerde me en kwam tot de conclusie dat het het jaar moest zijn dat ik iedere dag iets leuks op wilde schrijven dat ik zelf bedacht had. Zo zou ik dan op het eind van het jaar een moppenboek hebben met 365 mopjes, zeg maar. Behalve dat tekstje was ik niet verder gekomen. In het jaar 2005 had ik een soort randvoornemen gemaakt, een voornemen dat ik er vroeger al ieder jaar ’bijnam’ maar nu tot ‘hoofdvoornemen’ gebombardeerd had, maar het mislukt altijd al op de eerste dag. De laatste jaren maakte ik daarvan geen melding meer in de agenda’s, maar vroeger schreef ik keurig netjes, al op 1 januari: Mislukt! in de agenda en de volgende dag: Weer Mislukt!, daarna W.M. en dan weer WM en dan niets meer.
Dat sloeg op de jaren dat ik mij voornam om per dag niet meer dan twee glazen wijn te drinken. Dat is me nooit gelukt behalve wanneer ik nog in de auto moest, ziek was of de verantwoording had over kinderen. Of gewoon geen zin had. Kwam ook wel eens voor.
Maar nu, afgelopen zaterdag, oudjaar had ik een enorme pak WC-papier gekocht want het was helemaal op, op allebei de toiletten. Het liep al tegen vier uur. Kom ik thuis, blijken het keukenrollen te zijn. Ik vloeken, ik was écht aan ‘t laatste rolletje. Ik bezit echter een elektrisch vleessnijmes, waar ik afgelopen kerstmis nog voor 18 man de vidékip mee had gesneden. Werkte perfekt. Okay, dacht ik, ik halveer de keukenrollen met het vleesmes en maak er aldus toiletrollen van.
Ik ging aan de slag op het aanrecht. Het mes maakte een onheilspellend bijgeluid en het ging onverwacht uiterst moeizaam. Ik was al vijf minuten aan ‘t zagen toen ik opeens ploef! hoorde en er duizenden witte viltsnippers door de keuken dwarrelden. Het mes rook naar brandwonden. Goed, dan moest ik tot maandag de keukenrollen maar integraal gebruiken op het toilet. Sjefke heeft de tijd van z’n leven. Juichend rent hij door het huis, met steeds nieuwe snippers in z’n bek. Toch heel anders dan steeds een hele krant verscheuren. Voornemen voor 2012: kijk wat er in je karretje ligt.
Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be - De volgende column van Het Vlees is Zwak leest u in HAC Weekblad van vrijdag 20 januari.







