Chocolaatjes

Lang had ik er tegen gevochten, maar nu, nu stond ik op, liep naar de kast, opende de deur die een beetje klemde en greep naar de doos waar de chocolade truffels in zaten. Ik kon er niks aan doen. Ik kon deze handeling niet meer stop zetten; in mijn geest was deze al verricht, dus het geschiedde ook zo, zoals er in de bijbel staat. Op het moment dat ik in de winkel de doos truffels kocht, was het al gebeurd bij wijze van spreken. ‘Voor als er eens iemand komt’ zei mijn moeder vroeger en ze had haar hele kast vol lekkers. De snoepkast noemden wij die. Ik kwam dan. Ik liep naar de snoepkast en at een suikerspekje. Heerlijk, mijn moeder had de verrukkelijkste spekjes aller tijden. Geef er mij ook een, zei ze dan. Hadden we het op. Nog maar een, zei ze dan. Daar denk ik met blije weemoed aan terug. Aan mijn moeder, die zo onbekommerd met me mee snoepte. Ach, mooie herinneringen. Nou mag ik niks meer van mezelf. Ik koop nooit lekkers, ook niet ‘voor als er eens iemand komt’, dan heeft die iemand gewoon pech. Want de ervaring heeft me geleerd dat ik het al lang op heb voordat er iemand komt. Dus koop ik niks meer want ik eet het meteen op. Vooral chocola.
Maar nu had ik dus een doosje truffels gekocht. Ik wist waar ze stonden in de supermarkt. Meestal weet ik er wel voorbij te komen, maar deze keer niet. Het lag al in m’n karretje voor ik er erg in had. Chocolade slagroomsoesjes zijn nog erger. Die van Albert Heijn, God hebbe zijn ziel, zijn het allerergst. Als ik daar de winkel binnenkom, staat er al een stralenbundel gericht op het vak waar ze liggen. Niet naar de soesjes kijken, niet naar de soesjes kijken, zeg ik dan in mezelf, gewoon voorbij lopen, ze zijn vies, de slagroom is bedorven, bah! Soms red ik het niet en koop zo’n doosje. Er zitten er tien of twaalf in. Als ik heb afgerekend zet ik de boodschappen achterin de auto, maar de soesjes haal ik er uit en zet ze naast me neer op de passagiersstoel. Eéntje mag ik er voor onderweg, zeg ik tegen mezelf. Niemand spreekt tegen en dan is het echt moeilijk hoor om eraf te blijven. Ik eet er een, vooruit, nog eentje dan. Als ik bij het stoplicht van bakker Teeuwen sta heb ik er al drie op. Is het rood, dan volgt de vierde. Dan word ik gelukkig een beetje misselijk en moet ik even wachten tot thuis voordat ik verder ga. Ik zet het restant in de koelkast. Na een paar uur liggen er nog een of twee, soms drie in. ‘s Avonds zijn ze allemaal op, ook als er niemand gekomen is. Vooral als er niemand gekomen is. Want als er iemand komt, moet ik die iets aanbieden als ik er zelf een zou nemen en dus neem ik er geen want dan heb ik er zelf weer een minder. Ja ja, ik heb niet zo’n gezellig karakter hoor. En vooral als die iemand dan een man is, is het helemaal erg. Mannen steken zo’n ding in z’n geheel in hun mond. Bam, en dan maar kauwen. Weerzinwekkend gewoon. Zo eet je geen soesjes of chocolaatjes. Daar bijt je stukjes af, kleine smulstukjes.
Toen mijn hond kwijt was kwam ik moeiteloos de winkel door, ik dàcht niet eens aan soesjes of chocola. Ik zag ze niet eens staan. Ik dacht alleen maar aan mijn hondje dat weg was. In die vijf weken tijd ben ik moeiteloos, zonder erg eigenlijk twee kilo afgevallen. Maar nu, nu ik hier met drie hondjes zit en er veel vreugde bij de beestjes is en bij mij, denk ik weer aan chocola. En moet ik weer strijden tegen mezelf.
Maar goed, ik deed dus de kast open, greep naar het doosje en opende het in de kast. Als ik het meeneem en ergens op de tafel zet, ben ik echt verloren. Ik haal er twee uit. Twee mag, ik heb nog niks op vandaag. Alleen ontbijt. Een zielige krekker. Eerst koffie maken, dan smaken de truffels nog lekkerder. Haal ik dat nog? Koffie maken eerst? Nee, ik haal het niet, ik heb al een stukje van de eerste af gebeten en nou smelt die in mijn mond. Heerlijk, de tweede volgt al, dan maar geen koffie erbij. Of toch koffie zetten nu en dan een derde erbij nemen?
Help!

Reageren? Dat kan via e-mail:
Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende 'Het Vlees is Zwak' leest u in HAC Weekblad van vrijdag 17 februari.

Weerstand

Okay, ik weet gewoon dat jullie het leuk vinden om hier in de HAC te lezen dat een mens ook problemen kan hebben. Van die ellende die iedereen wel eens meemaakt en waarvan je dan lekker kunt gnuiven: haha, ja dat ken ik, dat is erg, hihi, dat heb ik pas zelf nog meegemaakt.
M’n verwarming was dus kapot. Of kapot, kapot precies, dat ook weer niet. Hij deed het wel maar hij sprong iedere keer weer uit. Dan voelde ik het koud worden in huis na een uur of zo en voelde aan de verwarming: ijskoud. Ik naar buiten, de verwarmingsknop waar ik op moet drukken om hem weer aan te krijgen ligt buiten in een ander hok, uitsluitend van buitenaf te bereiken. Eerst dacht ik nog: beetje harde wind, flakkert uit, maar toen ik drie dagen steeds maar heen en weer moest lopen kwam ik opeens op het grandioze idee om een verwarmingsman te bellen.
Die kwam meteen. Hij klopte hard op het keukenraam zodat alle honden dachten van oei, ‘n inbrekert, baasje, mogen we die eens hartelijk in het been happen? Ze blaften, meer van schrik dan van waaks. Half uur later was de verwarming gerepareerd. Gelukkig. Monteur kwam binnen, waste z’n handen en schreef daarna aan de keukentafel de rekening per computer die hij ter plekke uitprintte. En ik kon hem meteen ook betalen, want hij had een bijpassend kastje mee waar ik de pinkaart in kon stoppen. Makkelijk, zo krijg ik dus geen rekening meer die dan weer weken ongeopend in de fruitschaal hoeft te liggen. Ook weer geregeld, een mooi, lekker warm oudjaar kondigde zich aan.
Maar daarna merkte ik dat ik een steeds koudere douche had. Ik had niet gemerkt dat het water in huis niet warm meer was, ik gebruik alleen onder de douche warm water. Maar op een morgen stond ik opeens onder een echt koude douche te gillen en te krijsen en te bibberen, de shampoo kreeg ik niet meer uit m’n haren, die stijf en plakkerig bleven na het fohnen. Ik belde de man van de verwarming weer. Nu geeft de boiler geen warm water meer meneer, wat nu? Hij kwam meteen. Het was een andere monteur: ik vraag: kan dat komen van kapotte verwarming? Week geleden ongeveer gerepareerd. Man schudt z’n hoofd en lachte beleefd (domme vlouw hij denken in chinees, vlouwen nooit iets beglijpen). Zo’n soort lachje was het. Toen sloeg hij aan het onderzoeken. Hij liep een paar keer op en neer naar de meterkast met enge schroevendraaiers en vreemde, geluidmakende kastjes. Hij vroeg: hoe oud is de boiler? Ik zei maar wat, tien jaar. Was een gok. Ik keek daarbij overtuigend en streng, want anders moest ik natuurlijk weer een nieuwe boiler. Hij schudde z’n hoofd. Van zoiets word ik altijd erg ongerust. Toen kwam hij terug met een grote tas: Mevrouw: weerstandje kapot. Aah, zeg ik, dan kan het weerstandje toch gemaakt? Nee, hij schudde dat hoofd weer. Weerstandje moet besteld, is er op z’n vroegst morgen. Dat begreep ik niet. Waarom zat die tas niet vol weerstandjes. Hoe groot is helemaal een weerstandje? Vijf centimeter? Hoe ziet een levend weerstandje eruit? Ik stel mij dat voor als een grote Y met kleine rode kronkelwormpjes opzij. De monteur komt pas morgen terug. Ik kan dus niet douchen en moet zachtjes doorstinken. Het is een uur of drie later en ik voel om mij heen: opeens gealarmeerd en grijp in de lucht. Lucht is koud. Ik voel aan de verwarming. Ook koud. Hoe kan dat? De verwarming was goed. Maar nu niet meer. Ik loop naar ‘t hok. Daar is alles dood, de boiler, de verwarming, alles is koud en donker. Ik loop terug naar huis. Lichten aan, en bel de monteur. Het is al te laat. Krijg niemand meer aan de lijn, iedereen eet warm eten en kijkt lekker warm tv of staat onder een warme douche. Ik werd niet boos. Wel gooide ik iets kapot. Buiten.
Okay, dan red ik mezelf wel, ik loop naar ‘t schuurtje, haal houtblokken, veel houtblokken. Steek de haard aan in de kamer, de kachel doet ‘t goed en de kamer wordt langzaam weer warm. Ik zit op de bank en drink wijn en gooi steeds nieuwe houtblokken in de haard. Volgende morgen half negen komt de monteur. Weer een andere. Hij maakt de verwarming, hij maakt de boiler met ‘n nieuwe weerstand van ‘n halve meter groot dat eruit zag als een muziekinstrument voor een groot orkest op Java. Het werd weer warm in huis en twee uur later kon ik weer douchen. Wat een luxe!

Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende 'Het Vlees is Zwak' leest u in HAC Weekblad van vrijdag 3 februari.

Voornemens

Ieder jaar weer maak ik een goed voornemen. Gemiddeld genomen houdt zo’n voornemen twee dagen stand, of nog niet eens. Soms zijn het goede voornemens, soms verstandige, maar altijd voor mij vervelend. Of lastig. Want als het vanzelf ging hoefde het geen voornemen meer te zijn.
Vorige week moest ik om een adres voor een kerstkaart naar toe te sturen te achterhalen, een oude agenda opzoeken. Ik bewaar al mijn oude agenda’s. Soms staat er helemaal niks in, andere jaren wat meer, meestal heel weinig. Een jaar had ik mij voorgenomen dat ik voortaan in m’n agenda (gekregen van de bank) zou schrijven wat ik gekocht had die dag. Zo zou ik mijzelf beperken, dacht ik, in ondoordachte aankopen, doordat ik ‘s avonds het lijstje van die dag door moést nemen (ook een onderdeel van het voornemen) en hoofdschuddend bij mezelf zou denken, wat stom dat ik dat gekocht heb. Waar had ik dàt in hemelsnaam voor nodig? De vierde dag al schreef ik niks meer, (de derde was toevallig een Zondag). Zo liep ook dit goede voornemen met een sisser af. Als het al een goed voornemen was dan. Voorin de agenda van afgelopen jaar, 2011 dus, staat keurig mijn naam en adres, en op 2 januari 2010 zijn enkele aankopen vermeld, een badborstel, een hondenmand, vogelvoer en een speelgoedtelefoontje en voor de rest niks meer. (Supermarktartikelen hoeven niet gelukkig) De tweede dag dat ik de gekochte spullen wilde noteren, was ik ‘s avonds al weer vergeten wat ik gekocht had. Dat is natuurlijk ook erg. Verder dan een boek en een tijdschrift kwam ik niet, hoewel ik wist dat er nog iets moest zijn geweest. Dat is de vloek van het bankpasje. Je vergeet het bedrag. Er stonden twee vraagtekens onder op die dag. Bloemen? Flessen wijn? Dat zijn levensmiddelen en horen bij de eerste levensbehoeften, bij het basispakket zal ik maar zeggen. Ik pakte een willlekeurige agenda van een ander jaar, 2003 toevallig en daar stond behalve naam en adres ook helemaal niks, behalve op de eerste bladzijden, daar stond op 2 januari alleen ’goed gedaan’ en op 3 januari ook ’goed gedaan’ en op 4 januari stond er, ’’n beetje gedaan’ en daarna helemaal niks meer. Op wat voor voornemen dat in hemelsnaam sloeg weet ik niet meer. Wel stond er op 16 januari nog een keer K.N.M., en dat was alles dat jaar.

2004 idem, mijn naam en adres netjes ingevuld, op 1 januari stond er niks, op 2 januari stond er: ‘Dr.Verl. K in stbgels, ziet g zzegt enz. haha‘, en verder is de agenda blanco. Ik ritste de agenda door en zag alleen op 20 mei ’mooi weer’ staan en dat was het. Ik dacht diep na. Iéts moest ik toch van plan geweest zijn na te komen, getuige die vreemde afkortingen. Ik concentreerde me en kwam tot de conclusie dat het het jaar moest zijn dat ik iedere dag iets leuks op wilde schrijven dat ik zelf bedacht had. Zo zou ik dan op het eind van het jaar een moppenboek hebben met 365 mopjes, zeg maar. Behalve dat tekstje was ik niet verder gekomen. In het jaar 2005 had ik een soort randvoornemen gemaakt, een voornemen dat ik er vroeger al ieder jaar ’bijnam’ maar nu tot ‘hoofdvoornemen’ gebombardeerd had, maar het mislukt altijd al op de eerste dag. De laatste jaren maakte ik daarvan geen melding meer in de agenda’s, maar vroeger schreef ik keurig netjes, al op 1 januari: Mislukt! in de agenda en de volgende dag: Weer Mislukt!, daarna W.M. en dan weer WM en dan niets meer.
Dat sloeg op de jaren dat ik mij voornam om per dag niet meer dan twee glazen wijn te drinken. Dat is me nooit gelukt behalve wanneer ik nog in de auto moest, ziek was of de verantwoording had over kinderen. Of gewoon geen zin had. Kwam ook wel eens voor.
Maar nu, afgelopen zaterdag, oudjaar had ik een enorme pak WC-papier gekocht want het was helemaal op, op allebei de toiletten. Het liep al tegen vier uur. Kom ik thuis, blijken het keukenrollen te zijn. Ik vloeken, ik was écht aan ‘t laatste rolletje. Ik bezit echter een elektrisch vleessnijmes, waar ik afgelopen kerstmis nog voor 18 man de vidékip mee had gesneden. Werkte perfekt. Okay, dacht ik, ik halveer de keukenrollen met het vleesmes en maak er aldus toiletrollen van.
Ik ging aan de slag op het aanrecht. Het mes maakte een onheilspellend bijgeluid en het ging onverwacht uiterst moeizaam. Ik was al vijf minuten aan ‘t zagen toen ik opeens ploef! hoorde en er duizenden witte viltsnippers door de keuken dwarrelden. Het mes rook naar brandwonden. Goed, dan moest ik tot maandag de keukenrollen maar integraal gebruiken op het toilet. Sjefke heeft de tijd van z’n leven. Juichend rent hij door het huis, met steeds nieuwe snippers in z’n bek. Toch heel anders dan steeds een hele krant verscheuren. Voornemen voor 2012: kijk wat er in je karretje ligt.

Reageren? Dat kan via e-mail: Guus.Van.Winkel@pandora.be - De volgende column van Het Vlees is Zwak leest u in HAC Weekblad van vrijdag 20 januari.

Kleintje Kerstboom

Dit jaar maar geen boom, zo dacht ik. Al die ellende in de kamer. Boven op zolder lag nog de enorme kunstkerstboom van vorig jaar in brokken op de vloer en hier en daar zaten er nog stukken versiering in. De onderdelen lagen verspreid. Er was niks feestelijks aan; dat duistere metaal, die doffe takken, nee geen boom maar dit jaar; ook beter met die drie honden. Sjefke, de pup had weliswaar pas één vaatdoekje vernield, wat pluisjes uit de mat gerukt plus nog een klein sierrandje aan een dik glossy tijdschrift gemaakt, maar toch. (Aan het sierrandje werkt ze steeds tussendoor). Nee, zeg, ik zag haar al naar die glinsterende ballen omhoog springen en aan de takken hangen. Geen kerstboom dus. Mooi rustig ook. Dus ook geen boom opruimen na Nieuwjaar en daar een week tegenop zien. Ik zou gewoon wat leuke kerstversiering neerzetten, wat kaarsen, ook mooi. Mooie sfeerverlichting, net licht genoeg om de keutels van Sjefke her en der door het huis te kunnen zien liggen. Sjefke is erg vindingrijk met de plaatsing van z’n keutels. Soms triomfantelijk midden op het kleed in de kamer, dan weer ergens stiekem in ‘n hoekje bijna tegen de plint. Maar nooit, nee echt zélden op de kranten die overal verspreid liggen. ’n Enkele keer, doet ze ‘t net als een echte hond tijdens de wandeling. Meestal bakt hij een Romeinse II, soms een V, maar gewoonlijk een enkelvoudige sigaar. Maar, o sorry, we hadden het over de kerstboom.

Dus op zaterdag komt mijn zoon binnen met een kleine echte kerstboom, met kluit en al, reeds in de pot gedaan. Hij stond prachtig op het bijzettafeltje. Ik hoefde niks meer te doen dan hem op te tuigen. Dat was natuurlijk wel een luxe waar ik geen nee tegen kon zeggen.
Er was wel nog even een moeilijk moment toen ik de twee strengen kerstverlichting die samen in een plastic tas zaten, uit elkaar moest halen maar ik heb me weten te beheersen, ben op de grond gaan zitten en heb de tijd genomen om de twee slierten van elkaar te scheiden, onder luid gejammer van Sjefke die in de bench zijn eenzaam leed uitschreide. Even had ik het geprobeerd met Sjefke erbij, maar toen hij zich buitelend over de slierten heen wierp en het kluwen al prooischuddend achter zich aan wilde slepen, heb ik hem toch maar in de bench gezet, waar ze demonstratief meteen een woedekeutel produceerde op het krantgedeelte.
Enfin, ik versierde de kerstboom. Hij was mooi en hing supervol ballen en andere versiering. Op een namiddag kreeg ik bezoek. Een best wel deftige mevrouw stapte binnen. De bijpassende echtgenoot volgde haar. Ik kende hen nog niet zo lang. ‘O jeetje,’ zei ze, ‘lopen die honden hier allemaal zomaar door de kamer heen? En o jeetje, wat een kleine kerstboom, maar wat schattig is ie.’ ’Is dat nou die hond die 5 weken weg geweest is?’ vroeg echtgenoot aan mij. We zaten gedrieen neder, glaasje in de hand met uitzicht op de kerstboom. Dora is heel rustig en beleefd en lag kalm op haar slaapkussen. Mijn andere hond had zich al in de bijkeuken verschanst en Sjefke hing de Bram uit. Hij rende door de kamer met een design flesafsluiter van plastic in z’n bekje, z’n favoriete speeltje. Toen zag ik opeens op het plateauvoetje van het glazen bijzettafeltje een van Sjefke’s laatste ontwerpen liggen. Een Romeinse I, met een klein puntje ernaast, als een soort toegift. Afleiding was nu het beste. Ja, dat is dat hondje, zei ik en schonk de glaasjes nog maar eens vol. Wellicht waren ze zowel ver- als bijziend. Voor de zekerheid dimde ik de lichten. Kaarslicht, wat gezellig. Niemand zag die sigaar nog liggen. Het werd snel donker nu; ik was gered. Ik schonk nog eenmaal bij. Het werd nog gezelliger en we kletsten volop. Na een uurtje stonden ze op. Buiten was het donker. Zij liep nu achterop. Bij de achterdeur draaide ze zich om, bedankte me en prees de honden. Daarbij spietste ze met haar naaldhakje ‘n soort X van Sjefke vol in de kruising. Als een grote iks bleef de drol aan haar hak zitten. Het is beter niets te zeggen dacht ik berustend en zwaaide ten afscheid. Ze hadden wel net ‘n nieuwe BMW. Ik bedacht dat hij er onderweg naar de auto misschien nog wel afviel. Sjefke had al wel vaker een wonder gedaan.
Een goede kerstgedachte.

Reageren? Dat kan via e-mail:
Guus.Van.Winkel@pandora.be De volgende column van Het Vlees is Zwak leest u in HAC Weekblad van vrijdag 6 januari. Fijne feestdagen en een goed en gezond 2012!

Sjefke de wonderdoener

Bestaat God dan uiteindelijk toch? Of is er een eenvoudig wonder gebeurd. Of heeft Sjefke echt alles geregeld? Vanaf 30 oktober was mijn hondje Gloria/Dora weg. Ik had het pas één dag. U hebt het hier vast wel een keer gelezen. Vijf weken lang heb ik rondgereden, boerderijen bestormd, slootjes nagekeken, schuren uitgepluisd, mensen bevraagd, folders uitgedeeld, nou ja, ik heb het allemaal al eens verteld, op de loer gelegen, de vangkooi op een tiental verschillende plaatsen opgesteld, niets dus, toen ik besloot een noveen zijn werk te laten doen. Ik was net bezig met de tweede noveen voor tante Clara en de kaars brandde al vanaf zondag, toen ik bedacht als allerlaatste hoopmiddel mijn nieuw aangeschafte Jack Russell pupje Sjefke te noemen, naar mijn vader. Die zou Gloria, die ik Dora herdoopt had naar mijn moeder wel eventjes terugbrengen. Ik geloofde daar heilig in. Als de novenen dan niet werkten en God zat te niksen, dan moest ons pap het maar opknappen. Zoals wel vaker vroeger. En als Dora dan terug was, zou het pupje een goede potenbinder voor haar zijn. Zo dacht en mompelde ik al een week in mezelf. Iedere dag als ik wakker werd, keek ik uit het raam of het weer niet al te erg was, niet te koud of te nat. Tot nu toe had ze geluk gehad, Dora, er waren maar ca 3 nachtvorstjes geweest en twee redelijk natte dagen. November was gunstig geweest gelukkig.
Maar als ’s morgens de velden wit waren van de nachtvorst huiverde ik en hoopte dat ze warm ergens in een schuur lag, lekker in het hooi en een smakelijk muisje verorberd had. Ik had nog niet één keer de open haard aangemaakt omdat ik het niet kon verkroppen dat ik lekker bij het vuur zat en mijn hondje ergens buiten in kou en donker rondzwierf. Maar afgelopen zaterdag, 3 december dus, besloot ik toch om het pupje Sjefke een gezellige warmte te bezorgen en tegen de avond de houtkachel aan te maken, voor de eerste keer sinds vorige winter. Ik had het pupje donderdagavond 1 december opgehaald bij de eigenaars van het nest. Ondanks dat het een teefje was, zou ze dus Sjefke heten naar mijn vader. Ze had een belangrijke taak in haar nog geen 8 weken oude bestaantje.
Op vrijdag keek ik naar het vrolijk spelende en buitelende pupje en sprak het toe: kom op, Sjefke, ons pap, allee, zorg dat ons mam terug komt. Je kunt het toch niet maken dat ze daar alleen rondloopt.
Zaterdagmorgen haalde ik hout naar binnen, klepte de haarddeur open en maakte de boel van binnen wat schoon. Het was elf uur. De telefoon ging. ’Ja, u spreekt met dierenasiel huppeldepup, we denken dat we uw hondje gevonden hebben’. Ik zei wàt! Niet al te helder dus eigenlijk. ‘Waar, wanneer, hoe, wie bent u?’ ‘Dierenasiel Huppeldepup (ik weet de naam echt niet meer) uit Oss. Ja, we vinden het zelf ook vreemd dat we een Belgisch adres op de chip zagen. Maar u bent dus echt uw hondje kwijt.’ Alles gecheckt en bevestigd en weer gecontroleerd; Het was Dora! Ze was al een paar dagen gesignaleerd bij een supermarkt in Lith, waarvan het personeel uiteindelijk de dierenambulance gewaarschuwd had en ze was vrijdagavond binnengebracht. Dus eigenlijk precies op de dag dat ik Sjefke had, liet ze zich zien en de volgende dag vangen, hoe is dat mogelijk? Toeval, of is Sjefke echt een wonderpupje en zitten Dora en Sjef nou te glunderen in de hemel?
Om één uur, waren mijn dochter en ik en twee kleinzoons die heel erg meegeleefd hebben plus Sjefke die in de auto moest blijven in Oss. Ze zag er eigenlijk heel goed uit voor een hondje dat bijna 5 weken was weggeweest. Amper vermagerd, wel wat teervlekken op haar pootjes, en al wat genezen schrammen van prikkeldraad misschien op haar hoofdje, dat was alles. Maar wat een hond: de afstand van Hamont naar Lith is maar even 89 km!
Feest thuis. Ineens waren er drie honden, alle drie tevreden voor het haardvuur die avond. Dora en Sjefke kunnen het goed vinden samen; dat was vroeger wel anders, haha, nee hoor, ik zeg maar wat, ben helemaal happy. Leve Sjefke!

Dora-Sjefke-foto01

Ps: Er zijn nog 3 Sjefkes in het nest, wie ook een klein wonderpupje wil?
Reageren? Dat kan via e-mail:
Guus.Van.Winkel@pandora.be