De Visclub

Ik zag hem in Alba op de vlooienmarkt, brocante met een deftiger woord, en dacht: ‘Hé, een lid van de visclub uit Villeneuve. Wat doet die hier?’ Ja natuurlijk net als ik over de markt slenteren en naar…De Visclub

31-07-2015 11:30 – ’t Vlees is zwak

Ik zag hem in Alba op de vlooienmarkt, brocante met een deftiger woord, en dacht: ‘Hé, een lid van de visclub uit Villeneuve. Wat doet die hier?’ Ja natuurlijk net als ik over de markt slenteren en naar alle kraampjes en stalletjes en uitgestalde waren staren. We kochten een oude olielamp en vroegen of hij het nog deed. Goede vraag, zei de man. Hij deed het nog. Maar daarover gaat het niet: het gaat over de markt in Villeneuve. Daar is zo lang als ik daar kom, wel veertig jaar, iedere woensdag markt. Zo’n twintig jaar geleden kwam ik er ook  iedere woensdag met mijn inmiddels overleden man en we kwamen speciaal voor de ‘visclub’. Op het grootste terras in V’neuve stond een viskraam waar al die jaren dezelfde jongeman (inmiddels is hij dik middelbaar) vis verkocht. Wij zaten op dat terras en keken naar de mannen die zich rond twaalf uur aan de bar van het restaurant verzamelden: de leden van de visclub, zoals wij ze noemden. Het waren er een stuk of zes, zeven, soms acht. Er was een vaste kern van vijf mannen. Soms nodigden ze toevallige vrienden uit. Ze dronken eerst een aperitief aan de bar en tegen half een begaven ze zich aan tafel. Die stond buiten op het grote terras. Er was altijd gedekt voor tien. Een van de mannen van de vaste kern betaalde die dag. Iedere week een ander. Wanneer ze aan tafel zaten kwam de visboerjongen het aangrenzende terras op en bracht een schaal, een enorme schaal met dingen uit de zee naar de tafel. Oesters, en allerlei andere verschrikkelijke dingen, allemaal koud, rauw en ongekookt. De eigenaar van het restaurant bracht het ene flesje na het andere witte wijn naar de tafel. En brood. Iedere week betaalde degene die aan de beurt was alles, zowel de visboer als het restaurant voor de wijn. Soms, na een aantal flessen witte wijn, steeg het lawaai aan die tafel tot grote hoogten. Inmiddels kenden we alle vaste visclubleden. De harde kern bestond uit een soort aannemer, ik noemde hem altijd de stier vanwege z’n woeste uiterlijk en brede postuur. De directeur van de caisse d’Epargne, die lag aan de overkant, en hij kwam altijd klokslag twaalf uur z’n deur uit. Jarenlang had hij een enorme bruine poedel bij zich. Alex, een gemeentewerker die in z’n werkhesje aan tafel plaatsnam, dan nog een tandarts die in het achterafstraatje woonde en zich vertoonde wanneer hij was uitgeboord en -getrokken. Wij beklaagden de patienten die na de middag aan de beurt waren en z‘n nietsontziende adem moesten dulden. Soms werden er meisjes, secretaressen of winkelmeisjes bij hen aan tafel gevraagd om mee te drinken en te eten van de overvloedige zeemaaltijd. Dan was er nog een klein geniepig uitziend mannetje dat we niet thuis konden brengen. Die zei nooit wat en at alleen maar. Wel betaalde hij als hij aan de beurt was. Alex moest altijd als eerste weg, de rest was waarschijnlijk eigen baas. Iedere week speculeerden we wie er aan de beurt was om te betalen en hoeveel er zouden komen. Soms waren er gastvisclubleden, die hoefden nooit te betalen.

We zeiden ‘s morgens al tegen elkaar: het is vandaag visclub, en posteerden ons om een uur of half twaalf op het terras om de boel af te kijken. Het verveelde nooit. Er was, ondanks dat het iedere week hetzelfde was, altijd wat anders te beleven. Een keer sloeg het geniepige mannetje de tandarts daarbij onverstaanbare Franse woorden gillend. Hij kwam daarna een paar weken niet. En Alex, een kort dik baasje sprong eenmaal op de tafel en danste tussen de oesters en lege schelpen en glazen door en viel daarna stomdronken van de tafel. De hond van de bankdirecteur vluchtte daarop naar het lege deel van het plein. Alex werd opgeraapt. De tandarts, die altijd glimlachte heb ik eenmaal boos gezien. Dat was toen de wijn op was. Er waren eenvoudig geen flessen wijn meer voorradig. Wij bleven altijd tot bijna twee uur zitten en aten in die tijd ook een eenvoudig lunchje. Met een schitterende voorstelling erbij. Voor niks. We hoopten iedere week op spektakel. Maar ik vond de visclub alleen al spektakel genoeg. Ik geloof dat de visclub nu nog bestaat, al zie ik alleen nog maar Alex en de stier. Woensdag toch nog eens gaan kijken.

 

Powered by Blog Grabber