Vroeger

Vroeger, heel vroeger toen mijn ouders nog leefden, ging ik op zondagmorgen altijd even langs bij ons pap en mam. Ik was toen alleen, de kinderen in de tienerleeftijd, dus die kreeg ik zo gauw niet mee…Vroeger

15-02-2018 15:20 – ’t Vlees is zwak

Vroeger, heel vroeger toen mijn ouders nog leefden, ging ik op zondagmorgen altijd even langs bij ons pap en mam. Ik was toen alleen, de kinderen in de tienerleeftijd, dus die kreeg ik zo gauw niet mee naar opa en oma; die hadden andere besognes. Ik ging eigenlijk het meest voor ons pap moet ik eerlijk zeggen, want meteen als ik binnenkwam begonnen z’n oogjes al te glinsteren. ‘Ha Guus,’ zei hij dan. En niet veel later na de begroeting, zei hij: Het is zondagmorgen, hè. Ja, zei ik dan, (een soort ritueel), Zouden we misschien samen een trappistje mogen drinken, ieder de helft, dat kan toch wel voor de zondagmorgen. Dat kan geen kwaad. Natuurlijk pap, zei ik dan, wacht, ik loop wel even naar de kelder. Want daar stonden de trappistjes, lekker koel. Soms stonden ze ook in de garage, dan was de bierboer net geweest. Ons pap en mam woonden op het laatst van hun leven in Hamont, en daar kwam die bierboer aan de deur. We pakten onze mooiste glazen, de echte trappistenglazen en ons pap schonk ze zorgvuldig in. Ieder de helft. Intussen zaten we samen aan de tafel en puzzelden wat in de krant. Als het op was, zei hij, iedere week weer: Stonden er nog meer flesjes? Zachtjes, want ons mam mocht het zogenaamd niet weten. Ons mam dronk nooit, ja, een enkele bessen, en dan was ze meteen aan het giebelen. Dat noem ik geen drinken. Nee, dan ons pap en ik. Wij konden er wat van. We dronken samen ooit een flesje of vier, dus ieder twee zeg maar en een portje toe; Zo’n zondagmorgenportje, om het af te leren. Als hij zei, zo nu moet ik even liggen (z’n zondagmiddaglig was dat dan al) ging ik naar huis. Dan reed ik gewoon naar huis. Ik woonde toen in Dorplein, niet ver natuurlijk, maar toch, een paar trappistjes op en ik reed vrolijk naar huis. Nu is dat schande, met alcohol op achter het stuur, maar toen kon dat nog denk ik. Ons pap stierf op 2 juli 1985 op 76-jarige leeftijd. Hij had overal kanker, behalve aan z’n levertje, dat had hij fit gehouden. Met ons mam deed ik andere dingen. We aten samen spekjes uit haar snoepkast. Van die verrukkelijke zoete spekjes, waar de suiker nog op knisperde. Ik deed eigenlijk achteraf als ik het zo bekijk, met allebei mijn ouders slechte dingen, gezondheidstechnisch dan. Door de week, tussendoor, ging ik vaak naar ons mam dus, en we vertelden elkaar dingen over mensen die we kenden en ‘de jong’ en over van alles en nog wat, en zij over haar kaartdames waar ze iedere dinsdagmiddag mee kaartte, ook in de tijd dat ons pap slecht was, want dan ging ze gewoon kaarten, als het tenminste niet bij haar thuis was, haar beurt dus, iedere dinsdagmiddag. En dan kwam ik weer bij ons pap zitten want die kon toen niet meer alleen blijven. Ik had toen toevallig iedere dinsdagmiddag vrij. En soms gingen we rijden, vooral op het eind van z’n leven, dan zat hij naast me in de auto en zei: waar gaan we heen? Zullen we naar dat cafeetje in Neerpelt gaan? Och, rij ook maar wat. Het geeft niks. Innig tevreden zat hij naast me en  ik reed overal waar hij wilde dat we heengingen. Als we thuis kwamen en ons mam was nog niet terug van haar kaartmiddag, gingen we weer weg en samen ergens eten; dat deed hij het liefst. Dat kon hij ook nog tot op het allerlaatst. Ik had in die tijd een vriend, die haalde ik dan op, plus de kinderen en dan gingen we samen eten.
Wat een tijd, ik denk daar nu ineens aan omdat het vandaag carnavalszondag is en ik alleen ben, want ik heb de pest aan carnaval en mijn vriend is thuis in Limburg en al zijn kinderen en kleinkinderen zijn daar en vieren carnaval en ik drink voor de zondagmorgen een portje en denk aan mijn vader.

Powered by Blog Grabber