Pasfoto

Kijk nu maar wat vriendelijker, zeiden ze tegen me. 

Ik zal het inleiden met een ouwerwetse mop uit de zeventiger jaren. Er was eens een man en die ging naar V en D in Eindhoven om een pak te kopen. Hij werd vergezeld door zijn vrouw. Op de afdeling beproefde de man het geduld van de verkoper door diverse kostuums te proberen maar ze pasten geen van alle erg mooi. Maar één donkerblauw kostuum zat redelijk. Toch knelde het jasje een beetje onder zijn rechterarm. De man werd door de inmiddels kortaangebonden verkoper verzocht zijn  schouder dan maar wat hoger te tillen. Dat deed hij en het pak zat beter. Toch knelde het hem ook een beetje in het kruis en daarom, zei de verkoper nors, moest hij dan maar een beetje met z’n benen bij elkaar lopen. Zijn vrouw echter vond toch nog dat de jas achter te veel afhing en daarom moest de man dan maar ook wat meer naar voren gebogen lopen. Enfin, hij had het pak die dag nodig, betaalde en hield het aan. Ze lopen samen naar buiten de straat op en passeerden een stel vrouwen waarvan de een tegen haar vriendin fluisterde: ‘Wat goed, dat ze voor die ongelukkige man nog zo’n perfect passend pak hebben gevonden.’

Zo ongeveer als die man voelde ik me toen ik door de Belgische Staat weer werd verzocht mijn identiteitsbewijs te laten verlengen en met een pasfoto en 20 euro op het stadhuis in Hamont te verschijnen teneinde dat in orde te laten maken. Want op de pasfoto mocht ik niet lachen, tenminste niet terwijl ik tanden liet zien. Beide oren moesten zonder pardon ontbloot zijn; mijn kin moest naar voren steken terwijl het gehele hoofd daarbij iets naar links moest buigen. Ook werd ik verzocht mijn pony (het haar over mijn voorhoofd, de frou, zo genoemd door de Belgische kapper) weg te halen zodat ze (?) duidelijk mijn irissen in konden scannen. De fotograaf waartoe ik mij vervoegde was zeer vakkundig. Eerst vroeg hij waarvoor de foto was. O, België, (zucht) dan weet ik het wel. Toen werd mijn hoofd in het pasfotohokje van links naar rechts en van onder naar boven gedirigeerd. Op één foto had ik de ogen dicht; dus het moest opnieuw. Op de volgende stak er een stukje tand tussen mijn lippen door, weer opnieuw! Mijn vriend, die mee was gegaan en in de deuropening met me meeleed vond dat de derde te nors was. Ik keek intussen zo smerig als ik maar kon daartoe gedwongen door allerlei onverkwikkelijke hoofdposes die ik moest aannemen. Kijk nu maar wat vriendelijker, zeiden ze tegen me. Maar hoe kon ik nou normaal kijken wanneer ik van te voren wist dat ik er als een randdebiel uit zou gaan zien met dicht opeen geklemde lippen, enge bleke oorlellen, diep gefronst voorhoofd, niet beschermd door mijn dierbare pony, rimpelige nekpartij en starende blik omdat ik mijn ogen krampachtig open moest houden om niet bij de flits te knipperen. De fotograaf was goed bezig, daaraan lag het niet, maar het resultaat was toch een soort begrafenisfoto met vertrokken smoelwerk die iedere douanebeambte de stuipen op het lijf zou jagen. Geen wonder dat ze denken dat er in België allemaal criminelen wonen. Laat mensen gewoon kijken en lachen als ze dat willen en hun mond open houden als hun dat siert; laat ze aan een ijsje likken of een frietje in hun mond steken voor de pasfoto want aan dat laatste herken je toch ook de ware Belg.