Grote kleine jongens

Mijn kinderen, hun partners en alle drie mijn kleinzonen waren zoals gebruikelijk bij mij thuis op de Paaslunch. En wat wàs het dit jaar een fantastisch weer. We zaten gewoon buiten, we moesten zelfs in de schaduw. Ongekend en heerlijk. Mijn dochter had me een paar dagen van te voren gevraagd: ‘Mam, je verstopt toch nog wel eieren? Ja, da-hag, zei ik, of iets van die strekking. Voor die grote klippels? Geen geverfde haar op mijn hoofd, die daar aan denkt. Dat was duidelijke taal. Want mijn haar wordt serieus genomen. Mam, ze vinden dat leuk! Was haar weerwoord, smeekbede eigenlijk. Ze zijn 20, 15 en 13 en ze vinden dat leuk. Eieren zoeken. Paaseieren zoeken. En eerlijk gezegd, ik vind het ook leuk, ik vind het leuk om ze te verstoppen en daarna, met Pasen om dan samen met die grote lummels door de tuin te lopen en te zien hoe ze ze voorbij lopen. Ik heb best wel een grote tuin en ik heb veel werk gemaakt van het verstoppen. Twaalf had ik er verstopt. Eerst deden ze net of ze het niet leuk vonden om ze te zoeken. Ze wilden voor elkaar niet laten weten dat ze dat het allerleukste vonden van Pasen. Stond zo kinderachtig en zo, zo absoluut niet cool, eieren zoeken. Maar ze gingen! Ik hoefde maar een keer langs m’n neus weg te zeggen: ik heb ook éieren verstopt, of ze stoven van tafel, en renden de tuin in. Ik riep nog: als je d’r vier hebt, de man, mag je ophouden. Toen deden ze dus weer wie er het eerste vier had. Dat was de oudste. De tweede had er heel lang drie en moest lang zoeken naar zijn vierde. De jongste had er pas twee na ongeveer een kwartier. Dus wij ook allemaal de tuin in, meezoeken. Weet je nog wel waar je ze verstopt hebt, was de vraag. Ja natuurlijk, zei ik, hoewel ik geen flauw idee had welke er nog lagen. En kijk, dit was nou het allerleukste: de vijf volwassenen, gemoedelijk keuvelend, stiekem toch heel goed zoekend en de jongens, helemaal fanatiek tussen de struikjes en boomtakken spiedend. Ze hadden al een half uur hun iphones niet aangeraakt. (!) Heb je geen foto’s gemaakt van waar je ze verstopt hebt, vroegen ze. Kom op zeg, zei ik, en dan weet je het nog niet. Die struiken zijn allemaal hetzelfde. Uiteindelijk zag ik het laatste ei in een holte van een boom liggen en liep er voorbij. Ik heb het gezien, zei ik, het is blauw gestreept, ik liep er net voorbij. Niemand vond het. Uiteindelijk heb ik zelf achter de dennentakken vandaan moeten peuteren. Toen hadden we ze allemaal. En het was cava en -colatijd. Wat een dag! Wat een toegevoegde waarde, die zon en die temperatuur en dat buiten zijn en de familie erbij. 

Ik had ook nog drie grote chocolade paashazen gekocht, maar die was ik vergeten te geven. De twee jongsten kregen die een paar dagen later toen ze bij mij waren. Echt blij waren ze ermee. Ik onderschat constant hoe iemand die een stuk groter is dan ik, zo blij kan zijn met iets waar ik amper iets om geef. Ze zijn groot, maar ze zijn ook nog echte kinderen. O fijn oma, bedankt.

Een paar dagen later was ik bij hen in huis en vond in de koelkast de twee chocolade eieren, twee paashazen in paars zilverpapier van ongeveer vijftien centimeter, ze stonden rechtop naast elkaar. ‘En denk maar niet,’ lachte mijn zoon dat ze ooit iets uit zichzelf in de koelkast zetten. Behalve deze dan.’ Ze bewaarden ze voor na school. Alleen was van de rechtse haas aan de bovenkant wat van de oren afgeknabbeld, wat met onhandig weer toegefrommeld zilverpapier was geprobeerd te repareren maar toch nog zichtbaar was. Die was van de jongste. Hij was uiteindelijk de kleinste grote jongen.  Op de bar in de keuken staat de derde paashaas vertwijfeld te wachten op zijn baasje.