Machine

O, het zal nou wel voorbij zijn als u dit leest maar op donderdag Hemelvaartsdag en vrijdag erna, vandaag dus zo’n beetje voor degenen die de HAC op vrijdag krijgen,  hadden wij onze atelier rosé open dagen zoals u hier uitentreure in de HAC hebt kunnen lezen (ja, we moeten wàt natuurlijk). Maar, ik had ook, benevens andere kennissen en vrienden en ‘relaties’  via de mail heel oude vrienden van mij uitgenodigd, een stel uit Antwerpen , waarvan ik eigenlijk dacht dat ze wegens ziekte en allerlei vreselijke ongemakken toch niet konden komen, maar … tot mijn verbazing belde hij mij ’s avonds na de mail op en zegde dat ze misschien toch wel op onze open dagen zouden kunnen komen.  ‘Whaauw!’ kreet ik, ‘wat fantàstisch, daar had ik niet op gerekend (ook niet echt hartelijk natuurlijk) maar ik bedoelde het zoals het was, ik was blij. ‘Ja, Anke is wel bijna dood en zoals je weet zit ze in de rolstoel en ik heb ook pas weer een vreselijke operatie achter de rug maar we wilden toch komen.’ ‘Fantastisch’, gilde ik weer. ‘Hoe gaat het met Anke?’ ‘Ja, slecht hè,’ zei hij eenvoudig. ‘Ze kan niks, alleen in haar rolstoel zitten, ze hoort dus nu helemaal niks meer en ze heeft nog steeds titanium onderdelen in haar rug plus dat ze laatst nog een teen heeft laten afzetten.’ ‘Geweldig!’ riep ik, ‘ze zit toch in de rolstoel, dan heeft ze die teen toch ook niet meer nodig.’ ‘Ze ademt ook wel heel slecht,’ zei hij ernstig, ‘maar in dit geval is dat geen probleem: ze zit namelijk aan zo’n beademingsmachine.’  ‘Ja prima,’ zei ik, ‘neem die machine ook maar mee. Jullie hebben toch een grote auto?’  ‘Natuurlijk,’ zei hij, ‘daar komen we mee. Ik kan nog nét rijden zonder dat ik allerlei bekeuringen krijg wegens ouderdom of hyperventilatie of zo.’  Hij is heel grappig hoor, onze Chris. ‘Jullie kunnen blijven slapen,’ zei ik, ‘hoef je ’s nachts niet meer naar dat ellendige Antwerpen en Anke vouwen we dan wel naar boven naar de slaapkamer. We hebben daar een flink stopcontact dat op alles berekend is.  Niks aan de hand en ’s morgens zorg ik voor jullie. Heb je ook eens een uitje.’ Ik bedoel dat echt hartelijk en ik meen dat ook en ze hebben allerlei ziektes maar hun verstand is nog pico bello, en bovendien mag ik hen heel graag maar ze mogen dit natuurlijk niet lezen, dat zou niet kies zijn. ‘Hoe gaat het verder, wat hangt er op de expositie? Schilder je nog steeds die roodborstjes?’ informeerde hij en hij grinnikte. ‘Niet lachen,’ zei ik, ‘maar ik schilder nu konijnen. Kleintjes, de een na de ander. Ze zaten in het voorjaar hier voor bij me in de tuin en ik maakte foto’s en heb ze nageschilderd. Eerst een stuk of twee drie en toen kon ik inmiddels niet meer ophouden en nu hangen er zowat twaalf of dertien konijnenschilderijen, groot en klein. En onze andere schildervrouwen hebben ook van alles hangen. Geen konijnen natuurlijk maar abstract, fantasie, vergezichten, dichtbijgezichten en mooi, alles mooi,  echt heel mooie dingen zijn er bij. Jullie moéten gewoon komen. De voorlaatste keer dat we onze atelier Rosé tentoonstelling hadden was drie jaar geleden.’ ‘Soms moet ze ook aan de hart/longmachine,’ zei Chris die waarschijnlijk niet geluisterd had. ‘Oh,’ zei ik, ‘groot ding? ‘Ja, zei hij, samen met de rolstoel, de beademingsapparatuur en die machine dan, zit de hele achterbank van de auto vol, plus achterin haar looprollator ook nog met de paraplu’s…..’ ‘Oh’,  ik weer, ‘misschien kunnen jullie dan maar beter toch niet komen… misschien toch wel een beetje eh….’  ‘Ach meid!’ brulde hij lachend, ‘ik hou je maar voor de gek, ze heeft alleen een rolstoel, verder niks.’ ‘En die teen dan?’ vroeg ik. ‘Jaja, ja die is eraf, dat is waar, maar ze zit niet aan de machine. En ze loopt hartstikke goed met die rollator.’ ‘Kom maar gewoon,’ zei ik. ‘Er is dan vast wel een dokter in de zaal….’