Met knal en al

Gisteren liep ik toevallig weer langs de plaats waar ik vroeger ook veel wandelde en werd daardoor weer herinnerd aan het waar gebeurde voorval dat ik hier nu aan u zal vertellen. Toen ik 100 jaar geleden zoiets hier in Frankrijk, op een primitieve wijze een bridgehome uitbaatte met mijn toenmalige partner moest ik overdag ook de mensen bezig houden, die met hun caravans bij ons op het terrein stonden. ’s Avonds speelden we bridge. Dat mensen daar ruim 1000 km voor over hadden, is hun zaak. Ik bedacht allerlei interessante wandelingen en de meesten liepen graag mee. Ik noemde hen altijd patiënten want behalve dat ze doorgaans oud waren, mankeerden ze allemaal wel iets. Ofwel hadden ze een flauwe knie, of een slappe heup of een waterig hoestje, maar dat verdween allemaal na een weekje bridge bij ons en wat alcoholische versnaperingen.  Op een dag ontdekte ik tijdens een wandeling die tussen wijngaarden en kersengaarden door liep, het was in het voorjaar, op een kruising van twee veldweggetjes een soort kleine vuilnisbelt. Ik scharrelde er even rond om te kijken of e iets van mijn gading lag en ontdekte toen tussen wat stenen en een ouwe handdoek, vier flessen champagne met de dop er nog op. Whaaah wat een geweldige vondst voor een katholiek. Ik pakte er een en omdat ik geen tas bij me had en ook nog ver naar huis terug moest lopen liet ik de andere drie liggen. De champagne thuis smaakte goed. Wel niet gekoeld, maar allà. Ik zei niks tegen niemand hierover. Een paar dagen later kondigde ik ‘s morgens weer een wandeling aan. Een stuk of zes mensen liepen mee, een slechte knie, een genezende rib en een lichte angina pectoris. Patiënten, zo sprak ik hen toe, we zullen ongeveer twee uur onderweg zijn, neem water mee en stevige schoenen en goede zin. Dat hadden ze allemaal. Ik liep vrolijk voor hen uit. De route die ik nam kenden ze uiteraard nog niet. Na ongeveer een uur, klimmen en dalen over toch wel slecht te belopen weggetjes vol kuilen en stenen maar wel steeds met mooie uitzichten wilden een paar mensen wat rusten. Logisch. Ik liet ze aan de kant van de weg zitten in het gras en ze dronken al hun water op. Bijna toch. Kom op jongens, zei ik, we moeten verder, nog een klein uurtje dan zijn we in Valvignères en daar worden we dan met twee auto’s opgehaald. Maar…. Het duurde wat langer dan een uur want ik wilde met ze naar de stortplaats waar ik dan als bij toeval de champagne zou vinden en de dorstige meute aan zou bieden. Mooi toch!? Na nog een half uur zowat begonnen ze weer moe te worden en te klagen en een beetje te kermen ook. Zo had ik ze het liefst. Is het nog ver, vroeg een patiënte op zeurderige toon, net een klein kind. Ja best wel, zei ik wreed maar misschien heb ik een verrassing voor jullie. We hebben ook niks meer te drinken klaagde een ander. Waar blijven die auto’s? Het was heet, zelfs voor eind april wat het toen was. We kwamen niemand tegen, geen wandelaars, geen levende wezens verder. We waren helemaal alleen tussen de lange, lange rijen wijngaarden, struiken en rotspartijen. Na nog een kwartiertje lopen kwamen we aan bij de ‘vuilnisbelt’. Wat is dat hier, zei er een op boze toon, die vieze Fransen, zomaar een vuilnisbeltje in deze mooie natuur. En wàt voor vuilnisbelt, zei ik. Kom hier maar even aan de kant zitten dan zal ik kijken of ik nog iets voor jullie kan doen. Moeizaam scharrelend zochten ze zich nog een groen plekje uit om te kunnen zitten. Ik liep naar de oude handdoek en pakte de eerste fles. Ze lagen er nog alle drie. Tjeetje deed ik, wat die Fransen tegenwoordig niet weggooien allemaal. Champàgne gewoon. Met de knaldop er nog op. Hoera! Juichten ze. Ze kwamen allemaal weer tot leven. Ik gaf hem aan een nog gaaf uitziende mannelijke wandelaar. Maak maar open, zei ik het is van een goed merk en een goed jaar. Vrolijk zetten ze om de beurt de fles aan de mond. Sommigen veegden tersluiks de flessenhals af voordat ze een scheut namen. Fles was zo op. Er liggen er nog meer, zei ik nonchalant. Ze vlogen erop af. En na een kwartier ongeveer, klonk alweer de derde knal. Wat een verrassing, Guusje, zei er een. Zo wil ik iedere dag wel een wandeling maken. Kom, zei ik, we moeten verder, over een kwartier zijn we er en de auto’s staan vast al te wachten. Vrolijk waggelden en strompelden ze verder. Wat geweldig mompelde er een, terwijl hij voort schuifelde, het was nog met knal en al. Hik.