Kaas

 “Een verse  koude fles rosé, dat zou de aandacht wel afleiden.”

Iemand had kiwi’s gekocht, niet ik. Mijn vriend, die nu al lang weg is, vertrokken samen met de bridgers, ook niet. Dus het zal wel een van de bridgers zelf geweest zijn. Maar ik zit er nu mee. Ik ben alleen en moet die dingen opeten. Vier in een pak. Kiwi’s zijn niet per se vies maar ze zijn vooral onhandig en koud en nat. De schil moet eraf, en je maakt er stukjes van. Of je snijdt ze voor de helft doormidden en lepelt ze uit. Ik weet niet wat erger is. Dus de kiwi’s laat ik voorlopig maar in hun vierpersoons mandje liggen. Gister waren hier vier mensen op de borrel. Op het terras boven. We hadden gelukkig schaduw. Toen heb ik nog flink wat toeren uit moeten halen om dat goed te laten verlopen. Ik had worstjes gesneden van zo’n keiharde zuideuropese worst die vaak zo enorm stinkend in de winkel kunnen hangen maar in stukjes gesneden best wel lekker zijn. Ook had ik een prachtig stuk kaas erbij liggen. Plus olijfjes, pinda’s en andere nootjes, chips, kortom de hele mikmak voor bij een borrel. Toastjes, enfin. Ik had een mes op het plankje van de kaas gelegd. Wijn, gekoeld bij de hand, er kon niks mis gaan. Even had ik overwogen om die kiwi’s erbij te leggen maar dat is zo’n plakboel, dus maar niet. De kaas was geseald verpakt dus ik moest dat plastic vel eraf knippen. Dat was ik aanvankelijk vergeten. Ik vond hem zo al mooi. Maar ja, een mens en zeker een gast, kan daar niks mee beginnen. Dus knipte ik hem open, haalde hem uit z’n velletje en legde hem weer op het plankje. Die ziet er heerlijk uit zei een van de gasten en vloog op het stukje kaas af. Hij sneed een flinke plak eraf en deed dat op een toastje. Jij ook wat,  vroeg hij aan z’n vrouw, die net een worstje in haar mond stak. Bja, daluk, zei ze. Ik nam het mes over en sneed een stukje voor mezelf af. De kaas was heerlijk, werkelijk zalig. Hij was nog gekocht door een van de  bridgers die ook een zogenaamde kaasdeskundige was. Van hem mocht de kaas niet in de koelkast liggen maar toen ze vertrokken zonder dat ze al die kaas meenamen, heb ik als een haas meteen de kaas in de koelkast gelegd. Misschien dat dat in Nederland goed uitpakt, maar hier in Frankrijk, en zeker binnen in een kamer waarin het alleen al in de kast 32°C is (daar ligt de thermometer) kun je de spullen maar beter in de koelkast leggen. Beneden in de appartementen staan ook nog twee koelkasten dus ruimtegebrek was er niet echt. Hoe dan ook, hij was lekker. Ik nam ook nog een stuk. Echt verrukkelijk was hij en dat vonden de gasten ook. Wat is het voor kaas, vroegen ze. Weet ik niet eigenlijk, zei ik. Kijk even op de verpakking, daar staat het vast op. En iemand graaide al naar de verpakking die ik wat verderop onder een fles had gelegd omdat het anders weg zou waaien. Jaja, we hebben gelukkig wel wind op het balkon. Heb je ook wel nodig, het was nog steeds 34 graden. Ik pakte snel het velletje. Even m’n bril opzetten. Ik keek, ik zag de naam niet. Wel de datum. Oei, die kaas was al flink over de datum. Ik bleef kalm. Staat er niet op, die naam, zei ik en stond op om het velletje naar de keuken te brengen en het diep onder in de prullenbak te verstoppen. Geef mij maar, zei een van de damesgasten, ik zie dat zo. En ze wilde het plastic velletje uit mijn handen pakken. Nee nee, zei ik het staat er niet op. Dat moet toch, zei ze. Ik wil weten hoe die kaas heet, lekkerder kaas heb ik nooit geproefd. Ik liep naar de keuken, het velletje in m‘n handen. Gewoon bij de supermarkt, driehoekige kaas. Ik zal binnen even kijken riep ik vanuit de keukendeur naar buiten. Verdomme. Binnen frommelde ik het kaasplastic in elkaar en liep naar buiten met een verse, koude fles rosé. Dat zou de aandacht afleiden. Ik nam zelf nog een stukje kaas, anders was het verdacht. Ik heb toch een maag van gewapend beton. Intussen hield ik de gasten goed in de gaten, of er niet een al groen uitsloeg of zo. Ohh, zei de gaste, nou weet ik niet hoe hij heet en kan ik hem zelf niet kopen. Ik schonk in. Je krijgt wat over is straks mee naar huis, zei ik. Ik liep weer even terug naar de keuken. Ik weet het al, zei ik, het stond er toch op: hij heet Cannebourcix, met een x op het eind. Ah, gelukkig, zei ze, Cannebourcix, mooi, die ga ik kopen. Pff, weer goed afgelopen, dacht ik. Maar ze zou toch lang moeten zoeken. Die naam had ik zelf bedacht. 

Reageren? Graag! Dat kan via

guus.van.winkel@pandora.be