Knuffelhonden

Ik geef je zes ton voor die hond….

Zo waren wij gister nog eens, mijn vriend en ik, nadat we dicht bij zijn woonplaats in een bos de honden hadden uitgelaten, waar in de buurt een grote forellenvijver ligt, een after- uitlaatdrankje gaan drinken. Dat deden we in het restaurant dat bij de forellenvijver hoort. Het was zondag en veel mensen van oudere leeftijd zeg maar, hadden net als wij hetzelfde idee gehad. Het was er redelijk druk maar absoluut niet vol. Het is een grote tent maar de meeste mensen komen toch om op forel te vissen. Er zijn verschillende vijvers en ook het restaurant bestaat uit verschillende afdelingen. Wij gingen naar binnen. Als het warm is, want ja, wij komen daar vaker, mogen de honden mee, aan de lijn. Dan zitten we buiten. Maar nu was het wat killer en gingen we naar binnen. Ook binnen mogen de honden mee. We gingen zo dicht mogelijk bij de deur zitten om geen overlast te veroorzaken voor de andere bezoekers. Beide honden bleven braaf en rustig bij ons onder en naast de tafel liggen. Mooi. Wij keken blij in het rond en dronken genietend van onze drankjes. Een tafeltje verderop zat  een wat ouder echtpaar, en een glazen schuifpui verder zaten vier oudere mannen te kaarten en lawaai te maken en in het andere compartiment zaten wat rokers. Wij keken naar de vissers buiten, een paar meter voor ons aan de rand van een van de vijvers. Ze vingen niks. Opeens stond mijn oudste hond op en liep zuchtend naar de tafel waar het oude echtpaar zat en legde zacht zijn hoofd op de vrouw haar schoot. Met zijn mooie en trouwe ogen keek hij haar aan. Eerst schrok ze even maar toen ze zag hoe lief hij haar aankeek en helemaal niks deed dan zuchten, streelde ze hem over zijn kop. Hij liet het vriendelijk toe. Opeens ging me een licht op: met deze hond was ik vier of vijf jaar geleden eenmaal in de week een jaar lang naar Mariënburght geweest waar ik met hem op donderdagmiddag naar de ‘afdeling dementie’ ging. Daar werd hij geaaid door de mensen daar. Ze zaten daar aan tafeltjes en ik liep dan met de hond van de een naar de ander en de mensen die dat wilden, konden dan mijn hond aaien. Ik heb dat een jaar gedaan. Langer kon ik het niet aan. Ik vond ze zo lief, al die oudjes en na verloop van tijd verdwenen ze door ziekte of dood, meestal dat laatste en als ik een week later kwam, was er weer een die ik kende weg. Ik heb niet het karakter dat daar goed tegen kan. Dus toen ben ik ermee gestopt. Ze waren wel allemaal gek op mijn hond. Iedere week weer. Ze zeiden steeds hetzelfde tegen hem en mij. Dat gaf niet. Ze genoten ervan, hem te aaien en hem te zien en vroegen steeds hoe hij heette. Eens was er een man die vroeg wat ik voor die hond wilde hebben. Hij zat in een rolstoel. Ik zei: hij is niet te koop meneer, maar je kunt hem hier voor niks aaien en knuffelen. Maar hij wilde daar niks van weten: hij hield vol. ‘Ik wil die hond kopen,’ zei hij, (hij sprak nog heel goed) ‘Ik geef je zes ton voor die hond…. ‘ Ik keek verbouwereerd en moest wat lachen. ‘Ja,’  vervolgde hij, ‘zes ton geef ik je, en op meer hoef je niet te tellen.’ Ik schoot in de lach. ‘Ik verkoop hem niet,’ zei ik, ‘volgende week mag je hem weer voor niks aaien.’ Twee weken later was de man  dood. Zo ging dat. En nu zat mijn hond daar weer. Na vijf jaar had hij zijn oude beroep weer opgepakt: hij ging geduldig naast oude mensen zitten en legde lief zijn hoofd op hun schoot. De vrouw vond hem leuk maar ik merkte toch dat ze liever had dat hij wegging. Ik riep hem en hij kwam. Keek zoekend rond of er nog andere knuffelaars waren en kwam daarna bij me liggen. Hij had alleen maar zijn vijf jaar  oude routine gevolgd.  Achterin de hoek van het restaurant zaten een man en vrouw,  die een door de man gevangen forel kregen opgediend. De vis rook kennelijk voortreffelijk. Beide honden zaten met hun neus in de lucht. ‘Dit wordt link,’ zei ik tegen mijn vriend en lijnde snel de honden aan. ‘We gaan.’ De man die zat te eten stond op en wees op de honden: ‘Hij mag hebben kop, goeie viese kop.’ Kennelijk een buitenlander. ‘Hoeft niet meneer, dank u wel.’ ‘Jammer fuur hund, goeie viese kop.’ Maar we liepen al naar buiten en achterom kijkend zag ik dat de oude vrouw haar mouwen nog aan ’t ontharen was.