Paddenstoelen

Het was afgelopen maandag mooi weer en zacht, zacht, zo zacht dat wij, de vijf vrouwen van atelier Rosé tijdens onze lunchpauze nog eens buiten gingen zitten om onze gezond besmeerde bammetjes, kleine tomaatjes, komkommertjes en niet te vergeten de glaasjes rosé te nuttigen. Ik zei, laten we eerst even door het bos lopen, daar staan heel veel paddenstoelen, rood met witte stippen. Leuk om te zien. Naast mijn tuin heb ik een klein bosje met loofbomen en sparren, beetje verwilderd allemaal maar met paadjes erdoorheen. Naast de paadjes stonden de paddenstoelen her en der, prachtig, nieuw, al vergaan, uitgegroeid, omgevallen, wel meer dan 50. ‘Kijk,’ zei Yvonne opeens, ‘wat staat daar? Wat is dat voor gekke maar mooie grote paddenstoel?’ Het was een witte met bruine schilfers die je er zo af kon plukken. We ontdekten er nog meer van die. ‘Ze zijn vast heel giftig,’ zei er iemand. ‘Juist niet,’ zei Yvonne die niet wilde dat haar ‘ontdekking’ giftig zou zijn. ‘Zoeken we op,’ zei ik. Eerst aten we onze gezonde bammetjes en binnen haalde ik m’n paddenstoelenencyclopedie. Yvonne vond hem tenslotte in het boek terwijl we aan ons tweede glaasje zaten. Hier deze, riep ze, is het deze niet. We keken allemaal en kregen om de beurt het boek. Ja, dat waren ze. Dat zijn ze, concludeerden we. Ze ruiken nootachtig stond er, zijn eetbaar en zeer smakelijk. ‘Wie is er al een beetje levensmoe en wil ze proeven,’ riep M. overmoedig. ‘C., jij niet, je hebt te veel kleinkinderen, das zielig als je nu dood zou gaan. Y. heeft ook te veel kleinkinderen. Hier jij,’ zei ze tegen M. Jij hebt geen kinderen. Jij moet ze eten. Of jij,’ zei ze tegen mij. ‘Jij bent de oudste.’ ‘Weet je wat,’ zei ik, ‘we zullen ze allemaal eten. Ik ga er twee plukken, grote, snij ze in stukjes en doe ze in de braadpan. Daarna op een sneetje brood en we zien wel.’ We hadden intussen onze glaasjes al weer leeg en werden wat overmoedig. Ik liep het bos in en kwam terug met twee joekels van paddenstoelen. ‘Zo,’ zei ik, ‘genoeg om een paar weduwnaars te maken.’ Iedereen joelde. ‘Kijk nog eens goed naar de foto,’ zei ik en hield de geplukte paddenstoelen naast de foto. ‘Heeft hij zo’n dikke voet?’ Ja, het is hem. Braad ze maar. Binnen deed ik een klontje boter in de pan, normaal bak ik altijd in olie, maar voor deze speciale gelegenheid moest het roomboter zijn.  Ze roken echt naar noten, een beetje. Het steeltje was bruin van binnen en een beetje houtrotachtig. Ik liep weer naar buiten, kijk het steeltje is bruin van binnen, is dat goed? Niet zeuren, werd er gezegd, gooi alles maar in de pan, het steeltje is het lekkerste. Oké, ze hadden erom gevraagd. Ik sneed ze fijn en braadde ze. Het was zo klaar. Peper en zout erop en nog een paar blaadjes basilicum voor het oog. Ik deed ze op twee sneetjes brood en verdeelde ze in tien porties. Ieder twee. Wie wilde sterven kon z’n gang gaan. Ik gaf er vorkjes bij zodat het overlijden soepeltjes zou verlopen en stak het eerste stukje in m’n mond. Heerlijk, echt heerlijk. Wat een voortreffelijke paddenstoelen. M. las voor van haar telefoon: ze zitten vol vitamine C, B1 B2 B3 en K hupsakee en ook veel eiwit. ‘Het is een vleesvervanger, zei iemand met volle mond. We spoelden onze porties door met hier en daar nog een rosé maar enkelen namen liever water. De hapjes waren zo verdwenen. Het was  lekker. ‘Staan er nog meer,’ vroeg iemand. ‘Nog zat,’ zei ik, maar ik schei uit met bakken. Terwijl we de boel opruimden en braaf naar ons schilderwerk terugkeerden, rekende iemand uit dat, mochten we niet goed naar het plaatje gekeken hebben de kans bestond dat eenentwintig kleinkinderen opeens geen oma meer zouden hebben. Woehoehoe. Maar we leven nog hoor.