Fietspompje

Een week of zo terug moest mijn auto een paar dagen in de garage verblijven. Dat moeten auto’s soms, net zoals mensen enkele dagen in het ziekenhuis liggen. Dat was heel lastig want ik kon nergens naar toe. Mijn actieradius zonder auto is vrijwel nihil. De brievenbus, de tuin, één straatje verder, dat gaat allemaal nog, maar voor een supermarkt heb ik toch een serieuzer vervoermiddel nodig. 

Ik héb een fiets, dat is waar. Hij staat hier in het schuurtje. Af en toe zie ik hem als ik daar moet zijn. Een ouwe doos moet neerzetten, ergens tegen schoppen, wat vloeken in alle rust. De fiets staat daar dan. Drie jaar geleden reed ik er voor het laatst op. En nu ik twee dagen geen auto heb, wilde ik hem tevoorschijn halen. Ik ga op woensdagmiddag altijd naar het kantoor van de HAC en doe daar nederige werkjes voor de krant. Iedereen had het druk dus ik wilde niemand lastig vallen om te vragen mij op te komen halen. ’t Is toch zeker drie à vier kilometer van mij uit naar de Bosstraat. De fiets is helemaal stoffig. Dat is niet erg. Maar twee platte banden, dat is natuurlijk minder leuk. Ik herinnerde mij ons nieuwe pompje dat we erbij kregen toen we deze twee fietsen tweedehands kochten. Een ouwerwets fietsenpompje met een houten standaard waar je je voet opzet en dan de fiets oppompt. Volgens mij was dat ding nog nooit gebruikt. In ieder geval niet door mij. Ik reed de fiets naar buiten en zette hem tegen de muur van het schuurtje. Ik ging die twee wielen gewoon even oppompen, het stof eraf vegen en hup, naar kantoor. Hoe zat het ook weer. Het slangetje moest met een knijper op het ventiel geplaatst worden en dan, pompen maar tot de band hard was, zo stond het mij voor de geest. Op het ventiel zat een ijzeren dopje dat eraf gedraaid kon worden. Ik draaide dat eraf. Het ventieldopje glinsterde nog van in-christelijke vreugde. Niks geleden. Ik zette het slangenuiteinde op het ventiel en pompte uit alle macht. Er gebeurde niets. Ik zag de band zich niet van de grond verheffen. Ik kneep even in de band zoals ik dat ervaren personen een halve eeuw geleden had zien doen. Niets.  Plat. Misschien moest het voorwiel eerst. Dat heette niet voor niets voorwiel. Juist. Om het voorwiel zat geen ventieldopje. Ik draaide het een beetje los, het blote ventieldopje. Dat deel van de oefening zat opgeslagen in mijn collectieve fietsgeheugen. Ik zette de knijper er op en pompte. Tot mijn verbijstering verhief het wiel zich langzaam van de grond. Het wérkte! De band werd hard. Mooi. Toen hij keihard was, haalde ik het ventielslangetje eraf en wilde het ventiel dichtdraaien. Ogenblikkelijk liep de band weer leeg. Jezus, dat moest dus sneller. Misschien hoefde ik zelfs het ventiel niet eerst los te draaien. Ik keek om mij heen. Geen man te zien. Waar is een man als je hem nodig hebt? In sommige situaties zijn mannen onontbeerlijk, niet veel, maar dit was er één van. Oké dames, de mannen zijn afgehaakt met het lezen van dit stukje, kan ik het verder rustig houden.  Ik kreeg alleen de voorband opgepompt. Ik was een kwartier bezig met de achterband, maar die weigerde hard te worden. In totaal was ik een half uur kwijt met het proberen de banden van de fiets op te pompen. Het werd inmiddels tijd om te vertrekken. Dan maar met een platte band. Ik deed m’n jas aan en reed met een lege  achterband naar de Bosstraat. Er stond een felle tegenwind. Ik trapte als een gek maar kwam amper vooruit. De fiets kraakte en rammelde. In het zadel zat een venijnige scheur. Oude mannetjes en vrouwtjes op hun e-bikes reden mij juichend voorbij. Na 20 minuten kwam ik op het kantoor aan, liet de fiets tegen een muurtje vallen. ’s Avonds werd ik naar huis gebracht. De fiets schenk ik aan het repaircafé…. Het ene ventieldopje is nog goed.