Oud en ziek

Van de zomer toen ik in Frankrijk was en we iedere woensdagmorgen op marktdag op een caféterrasje zaten, hier waarschijnlijk tot vervelens toe verteld, zaten we een keer een soort te roddelen. We, dat zijn mijn vriend en ik, onze beste vrienden aldaar, Nederlanders en nog wat andere losse mensen, Belgen, een weduwe, een weduwnaar, iemand die alleen was en nog een echtpaar.  Een man of negen, tien ongeveer. We zaten in de schaduw, vanwege de hitte. ‘Hoe is het eigenlijk met Jan en Alida,’ vroeg opeens iemand, en half lachend erachteraan: ‘leven die nog, die waren allebei toch zo ziek. Ik zie ze hier nooit meer.’ ‘Nee, dat klopt,’ zei mijn vriendin. ‘Je weet dat Alida darmkanker heeft gehad waar ze van genezen is overigens, maar daarna heeft ze iets aan haar schildklier gekregen. En dat loopt ook niet helemaal jofel. Dat gaat op zich nog wel met haar, maar je weet, dat hij, Jan, het altijd in z’n rug had.’ ‘Ja, hij liep altijd nogal gebogen,’ gooide iemand ertussendoor. Mijn vriendin keek hem bestraffend aan. ‘Met een stok, hij liep lang met een stok. Maar nu heeft hij ook nog longkanker gekregen, dat heeft ie al een poosje en daar wordt hij voor behandeld en dat gaat eigenlijk best goed. Maar hij heeft enorm veel medicijnen.’ En ze ging mooi recht zitten, nam een slokje en zei: dat hebben ze me laatst allemaal verteld. ‘Plus dat hij een paar maanden terug ook nog een tumor in z’n hoofd heeft gekregen. ‘Alsjeblieft!’ zei iemand ontzet. ‘Ja’, ging mijn vriendin door, ’ en nou komen ze nog maar een enkele keer naar de markt hier, want zij, Alida, die breekt steeds iets, een enkel of een pols of zo en dan kan ze niet meer rijden en je weet, het is tien kilometer hiervandaan waar ze wonen. Én  dat hij bijna niet meer uit de auto komt als hij er eenmaal in zit.

Ik was een paar weken terug bij hun thuis op bezoek om te kijken hoe het ging; Dan zitten ze daar samen aan tafel, de een heeft een gebroken enkel en de ander longkanker en een tumor in z’n hoofd en overal pijn. Hij loopt thuis met een rollator, anders komt hij niet vooruit. En maar klagen…..’. ‘Nou ja,’ wierp iemand tegen, ‘ ze hebben ook heel wat om over te klagen; Je noemt nogal wat op.’ ‘Tja, zei mijn vriendin en keek een beetje bitsig. ‘Maar ze moeten gewoon flink zijn en hun pillen innemen.’ Tja, we waren toch allemaal een beetje ontzet, want ja, het was toch niet niks wat die twee was overkomen. ‘Weet je,’ zei de lange weduwnaar die nog niks gezegd had, alleen maar gedronken. Het kan iedereen, ons allemaal ook overkomen en dan zit je toch maar hier, want we zijn allemaal toch niet meer de jongsten.’ Wij knikten allemaal bezorgd. Opeens zei mijn vriendin: ‘Wij gaan terug naar Nederland. We worden er inderdaad niet jonger op en we willen bij onze kinderen in de buurt wonen.’ Iedereen stil. ‘Jullie ook al weg.’ ‘Ja, we zetten ons huis te koop en zoeken iets in België. Nou mankeren we nog niks en zijn nog goed ter been’. ‘Waarom België?’ Vroeg iemand. De man van mijn vriendin antwoordde: Nou, het is een prettig land, in Nederland wil ik van ze leven niet meer wonen. Die wetten, dat gedoe daar.’ Iedereen zuchtte. ‘En bovendien,’ vervolgde hij, ‘één kind van ons woont in Duitsland en het andere in Nederland en we gaan daar ergens precies tussen in wonen. Qua afstand dan.’ De vrolijke sfeer was er niet meer. ‘Ja, aan alles komt een eind’, zei er een voor zich heen. ‘Wel optimistisch blijven,’ zei ik. ‘Voorlopig komt er alleen een eind aan de inhoud van onze glaasjes.’ Er braken wat voorzichtige lachjes door: ‘Kom op, we nemen er nog een. Op jullie huis en dat het maar goed mag gaan.’       

Reageren? Ja graag, dat kan via Guus.van.Winkel@pandora.be