Kerstverhaal 2019

Het loopt tegen vijven en de decemberzon is al uren weg. Een gure wind fluit langs de huizen en de regendruppels geselen de boomtakken. De meeste mensen van de Geuskens, de Horrik, de Heuvel en noem maar op, ze vinden dit weer onvriendelijk, ongezellig en kil. “Vroor het maar, of lag er maar een dik pak sneeuw”, hoor je de mensen in het dorpje Lil zeggen. Natuurlijk, bij Kerst hoort eigenlijk sneeuw en vorst. Daar voelen ook de inwoners van dit Vlaamse dorpje zich het beste bij. Maar wasbleker Giel –die net achter de kerk woont- trekt zich van dat alles niks aan en gaat op weg naar ‘de Heidebloem’, waar Hendrik in zijn jeneverstokerij bezig is om de laatste liters van zijn kleurloze drank te maken. Als de bleker binnen komt, gooit hij zijn hoed op een paar zakken rogge en zijn cape spreidt hij uit over de ketel, die nog lekker warm is. “Zo, Giel”,  zegt Hendrik, terwijl hij nog wat koriander en Sint-Janskruid toevoegt aan de hartversterkende drank, “wat brengt je tot hier?” Giel aarzelt wat, maar uiteindelijk zegt hij: “Ik heb gehoord dat het kanaal verbreed moet worden voor de scheepvaart. Dat betekent dat jouw stokerij misschien wel in de weg staat en moet verdwijnen”. Hendrik weet maar al te goed dat, als Giel zoiets zegt, hij het serieus meent. Want hij zit in de gemeenteraad en is de vertrouweling van de schout. Het verweerde gezicht van de jeneverstoker verbleekt. Hij zet de twee kruidenzakjes in een kast en gaat zitten op een krat met lege kruiken. “Je meent het niet”, zegt hij met een gebroken stem en schenkt voor zijn gast en zichzelf een glaasje coornwijn in.

Bezwaar tegen het voornemen

Op de botermarkt heeft Hendrik al wel eens iets gehoord over het kanaal. Het zou te smal zijn. Maar hij had er verder geen acht op geslagen, want zijn stokerij zou toch niet zomaar moeten verdwijnen? En die boerderijen dan? En de meelfabriek? Op de Sint-Hubertusmarkt van vorige maand heeft hij nog wat ijzerwaren gekocht om een rek te maken voor de mandenflessen. Buurman Adriaan had vorig jaar nog een nieuw strooien dak op zijn hoeve laten leggen en pas nog is boekweit ingezaaid op de schrale gronden tegen de vaart. “Kan het kanaal niet beter uitgebaggerd worden? Schepen kunnen dan sneller passeren. Er is dan geen oponthoud”. Hij snapt ook wel dat Giel daar geen antwoord op kan geven, maar misschien kan de schout op een ander idee gebracht worden. “Hoe denk je, Giel, dat het verder zal gaan?” Op lage toon legt hij uit dat op het gemeentehuis het besluit eigenlijk al genomen is, maar dat het nog zal worden aangeprikt op het mededelingenbord naast de voordeur. Zo kan iedereen nog bezwaar maken tegen het voornemen. “Op het einde van de maand komen alle burgervaders in Lil bijeen en wordt het plan definitief gemaakt”. Voor Hendrik voelt het alsof de wereld instort. Al drie generaties lang wordt hier aan de oever van het kanaal gewerkt. En met succes. Zeker in deze periode, tussen Hubertus en Driekoningen, verdient Hendrik Macheels een mooie cent voor zijn gezin. Hij kan zelfs ’n beetje sparen. Nu Giel niet goed meer weet wat hij moet zeggen, slaat hij zijn mantel weer om, zet zijn hoed op en geeft zijn vriend een hand. “Vóór kerst kom ik nog eens terug. Salut”, en hij loopt terug en steekt schuin het kerkplein over. Eenmaal thuis vertelt hij zijn vrouw over de ellende die Hendrik mogelijk te wachten staat.

Hoofdman Geerten en deken Swa

Inmiddels horen enkele teutenfamilies van de vergevorderde plannen. In deze tijd van het jaar zijn ze bijna allemaal thuis en het is bekend dat deze rondtrekkende handelsreizigers hun woonplaats altijd een warm hart toedragen. Zo hebben teuten in Hamont zelfs een windmolen laten bouwen en in Bergeijk geven ze extra veel geld voor het lange haar van de Bergeijkse vrouwen. Daar kunnen schitterende pruiken van gemaakt worden. En ze schenken aan de bedevaartkerk van Lil gebrandschilderde ramen en een houtgesneden communiebank. De hoofdman van de teuten, Geerten, gaat op de tweede  zondag van de Advent na de mis naar Swa, de deken van het Sint-Sebastiaangilde, die eveneens een invloedrijk man is. Onder het genot van een citroentje vraagt Geerten zich af wat de gevolgen zijn van de verbreding. “Ik ben per slot van rekening óók middenstander en kan me iets voorstellen van de ellende die de jeneverstoker nog te wachten staat”. Swa knikt. “De meelfabrikant is lid van ons gilde. We moeten opkomen voor de zwakkeren van het Sint-Sebastiaan, dus ook voor hem. Kunnen we iemand raadplegen voor een alternatief plan?” “Wat heeft de Jachtweg, aan de noordkant van de Kempische Vaart, nog voor functie? Trekschuiten zijn er al lang niet meer. Ik snap wel dat er in Lommel steeds meer kwartszand gevonden wordt, dat verscheept moet worden, maar is alleen dát de reden voor de uitbreiding van het water?”

Zwaard van Damocles

Jeneverstoker Hendrik zit intussen ook niet stil. Hij spreekt met zijn vrouw af om eens zijn licht op te gaan steken bij de pastoor van de parochiekerk van Lil. “Je weet maar nooit hoe hij tegen de zaak aankijkt”, zegt Hendrik tegen zijn vrouw. Hij draait een volle kruik coornwijn in wat stukken papier en stapt parmantig langs de dorpspomp naar de pastorie, waar de huishoudster open doet. “Kom je iets lekkers brengen voor de pastoor? Geef het maar aan mij, want ik moet het tóch zelf klaarmaken”. Maar Hendrik schudt bedachtzaam zijn hoofd en zegt dat hij de pastoor wil spreken over heel iets anders. Korte tijd later zit de zielenherder samen met de stoker in een spreekkamer, waar de sigarenlucht waarschijnlijk nooit meer uit zal verdwijnen. De pastoor blaast rookkringetjes richting kroonluchter en Hendrik zet het kruikje op tafel. “Geen carbonade dit jaar, meneer pastoor, maar we denken dat u met een eigengemaakt drankje ook blij zult zijn”. De priester knikt tevreden en Hendrik ziet zijn kans schoon om de geestelijke deelgenoot te maken van een immens probleem waar hij mogelijk mee te maken gaat krijgen. De sluiting van de jeneverstokerij hangt als het zwaard van Damocles boven Hendriks hoofd. Waar moet hij naar toe? Hoe moet hij voortaan geld verdienen voor zijn gezin? De priester toont begrip voor de situatie van zijn parochiaan en belooft om een bijeenkomst te beleggen waarbij alternatieve mogelijkheden besproken zullen gaan worden. Als Hendrik na ’n half uur weer buiten staat, krijgt hij voor het eerst het vertrouwen dat er misschien nog iets goeds uit zijn actie kan komen. Terwijl de hagel tegen de ramen van de huizen tikt, loopt hij voorover gebogen huiswaarts. Hier en daar hangt een groene krans aan de voordeur, en op sommige donkere hoeken zijn lantaarns neergezet.

Op zoek naar een oplossing

De kortste dag van het jaar is voorbij. Wonder boven wonder begint de zon te schijnen. Weliswaar staat hij heel laag, maar tóch. De inwoners van Lil beginnen zich voor te bereiden op het komende kerstfeest. Hier en daar verschijnt een mooi lint aan de vensters. Bij de drossaard wordt een vuurkorf tegen de voorgevel gezet en klompenmaker Harrie heeft op een mooie blok hout een kerststalletje geplaatst, waarin over enkele dagen het kindje Jezus zal worden gelegd. In de parochiekerk zijn de paarse linten al vervangen door witte, en voor de nachtmissen zijn de kandelaars van het hoogaltaar extra gepoetst. Het kolenhok is tot de nok toe gevuld, zodat de verwarming gedurende de hele kerstnacht kan branden. De pastoor vertrekt vanuit zijn pastorie naar Geerten van het gilde en vertelt hem over Hendrik. “Dan moeten we Swa er ook bij halen, meneer pastoor, en Justin, de directeur van de melkerij”. Diezelfde avond zit het viertal bij Geerten in de voorkamer om gezamenlijk een oplossing te zoeken voor hun dorpsgenoot van de jeneverstokerij, maar ook voor de meelfabriek en de twee boerderijen die zo dicht tegen het kanaal liggen. Allerlei suggesties gaan over de tafel. Maar een verbreding aan de óverkant van het kanaal lijkt het meest voor de hand liggend alternatief. De heren besluiten uiteindelijk om gezamenlijk naar het gemeentehuis te gaan voor een gesprek met de schout.

Het is flink gaan sneeuwen. Dakgoten zakken al ‘n beetje door, voetpaden worden onzichtbaar en mensen leggen opgerolde zakken aan de binnenkant tegen de voordeur, om de kou wat buiten te houden. Er is een afspraak met de schout. De gemeentesecretaris laat het gezelschap binnen: de pastoor, Geerten en Swa. Ze worden aller hartelijkst ontvangen en Geerten neemt het woord. Hij vertelt wat hem ter ore is gekomen, en welke stappen er zijn ondernomen om de afbraak van de stokerij, de meelfabriek en de twee boerderijen te voorkómen. De schout fronst zijn wenkbrauwen, staat van zijn stoel op en gaat voor het raam staan. Door de glas-in-loodruitjes ziet hij dat er een sneeuwstorm is opgestoken. Mensen sluiten de luiken van de ramen om de warmte binnen te houden. Een poes zoekt beschutting onder een houten bank. De eerste burger van Lil denkt na. Hij wil open staan voor de suggestie van het driemanschap, maar ziet op tegen de extra kosten die een ander plan met zich meebrengen. “De begroting voor het nieuwe jaar is gereed. Als we de verbreding van het water aan de noordzijde uitvoeren, gaat dat extra veel meer geld kosten. Da’s ’n probleem. En tot uiterlijk 25 december kunnen wijzigingen worden aangebracht, maar alle financiën voor volgend jaar zijn besteed. We hebben geen reserves”. 

Extra vergadering

Dan stelt Swa voor, om alle leden van het gilde, plus de mannen van de boerenbond, te mobiliseren om mee te helpen met het uitgraven van de verbreding, aan de noordzijde. “Dat zal ’n hoop extra geld schelen”,  aldus Swa, die overtuigd is van zijn idee. Geerten is blij met deze positieve inbreng, en zegt dat hij met nog enkele andere teuten de verlenging van de bruggen over het kanaal wil betalen. “Wat zou u hiervan denken, meneer de schout?” Deze steekt een sigaar op en belooft om vóór Kerst de gemeenteraad bijeen te roepen voor een extra vergadering hierover. “Hoe de uitslag ook wordt, ik kan de inwoners van Lil nooit meer op tijd op de hoogte brengen van een definitief besluit”, zegt de schout. “Maak je daar geen zorgen over”, zegt de pastoor, want hij zal –als dat nodig is-  in de kerstnacht, tijdens de hoogmis en tijdens het lof maar al te graag mededelen dat er een besluit is genomen ten gunste van de parochianen. Hij weet maar al te goed dat uit de Zaan, de Smeel, van Fierkensheikant en van overal vandaan de parochianen naar zijn kerk komen.

Na de zegen

Het is kerstavond. Tot de laatste stoel is de dorpskerk bezet. Stipt op tijd begint de nachtmis, en de pastoor is in zijn nopjes als hij ziet hoeveel kerkgangers er deze avond zijn. Hij preekt over Nazareth, over Galilea en over Bethlehem. Dat een Kind is geboren en dat herders de eersten zijn die naar de stal komen om het Kindje Jezus te begroeten. Op het einde van de dienst geeft hij heel plechtig de zegen, en zegt nog enkele mededelingen te hebben. Behalve over de tijdstippen van de ándere missen, deelt hij mede wie overleden is en welke missionarissen in het nieuwe jaar terug zullen komen uit de missie. Tenslotte emotioneert hij zijn zielen door te melden dat de gemeentelijke plannen voor uitbreiding van het kanaal gewijzigd zijn, en dat niet aan de zuid- maar aan de noordkant de oever afgegraven zal worden. “Door saamhorigheid van het hele dorp, met speciale medewerking van enkele ‘kartrekkers’ is het gelukt om de gemeente over te halen de zuidkant van de vaart ongemoeid te laten, waardoor enkele boeren, de meelfabriek en de jeneverstokerij verzekerd zijn van een blijvende vestiging. Dank aan allen. Daarom een extra Zalig Kerstmis allemaal”.   De organist zet alle registers open en speelt vol enthousiasme het ‘Gloria in excelcis Deo’.