Restjes, na de jaarwisseling

We hadden zin in iets lekkers.  In de koelkast zag ik niks meer. Na vijf dagen was er al niks meer over van ons ouwejaarseten, laat staan van het kerstdiner.  Behalve de soep, die stond al twee weken buiten op tafel, zichzelf te desinfecteren. Daar at ik iedere avond van, testte eerst de kleur en de conditie van de balletjes, rook eraan en als ik niet wit wegtrok van de stank, warmde ik hem weer op en at een paar bordjes.  Dat ging al goed sinds kerstmis. Gister was mijn kleinzoon er. ‘Ik kan je een waarschijnlijk bedorven bordje soep aanbieden,’ zei ik vrolijk,’ verder is er niks. Behalve cola.’’ Cola was genoeg, zei hij, hij had net thuis gegeten. Ik dronk zelf een iel glaasje rosé. Om toch maar een beetje mee te doen aan de gekte om in januari geen alcohol te drinken en je daardoor een beter mens te voelen, had ik mijn glaasje in grootte aangepast. Een klein maatje, een portachtig glaasje met een sherryachtige uitstraling, daar dronk ik voortaan mijn rosé uit. Ik voelde me daardoor geen beter mens, absoluut niet, wel ging mijn conditie voorwaarts, want ik moest vaker naar de koelkast lopen. ‘Er liggen risicochips in de omakast,’ zei ik. ‘Ze liggen daar nog van vorig jaar september, kijk maar eens.’ Maar nee, daar kwam hij niet voor, hij kwam expres nu, op drie januari om z’n oma nieuwjaar te wensen want op 1 januari had hij andere dingen te doen met z’n vrienden. Een volwassen kleinkind dat buiten zijn ouders om zelfstandig zijn oude oma een goed jaar kwam wensen en ook nog een vol uur bleef zitten, met echte mensenpraat; je kunt niet zeggen dat ik het niet ver geschopt heb.

Maar dat was gister en nu was mijn vriend er en hadden we beiden zin in iets extra lekkers. Helemaal achter in de koelkast trof ik een plastic doosje met gele kerrysalade aan en een geheimzinnig papieren builtje. De kerrysalade was nagenoeg op en in het builtje zaten twee oubollige oliebollen. Je kon er iemand de hersens mee inslaan, zo hard. Niet meer voor consumptie geschikt, zelfs niet door mij,  daarbij vergeleken was mijn soep een wonder van versheid. Ik vond ook nog een restant brie, dat alleen al door zijn uiterlijk om genade smeekte. Gooide ik ook weg. ‘Wat is dat daar, achter die ouwe pot augurken uit 2018?  Dat lijkt wel iets wat je op kunt eten.’  ‘Ligt eraan,’ zei hij. Het was een plastic tonnetje waarin lui olijven in olie dreven te midden van stukjes knoflook. Op het dekseltje stond dat er ook kaas ingezeten moest hebben. Op het dekseltje stond ook 4 oktober 2019 als uiterste consumptiedatum. ‘Dat lijkt nu alleen maar erger omdat het nu twintig twintig is,’ zei ik, ‘maar het is nog goed te doen. Oktober is tenslotte maar twee maanden geleden. Eigenlijk maar één maand, want ik heb het de hele maand november niet gezien.’ Tegen zo’n redenering kan niemand op, heb ik gemerkt. Hij keek me een beetje verwilderd aan. ‘Waar heb je dat stukje brie gelaten?’ ‘Weggegooid, in onze design vuilnisbak.’ Ik bleef eerlijk. Hij schudde z’n hoofd, bukte zich over de prullenbak en scheen erin met een kerstlichtje. Daar ligt het, zei hij. Hij pakte het, hield het voor z’n ogen en verwijderde een veertje of zo. Hij nam een snijplank, een scherp mesje en verwijderde het papier en de witgele randjes tot het een net stukje was. ‘Als jij nu de toastjes klaar legt, want die hebben we toch nog wel zeker, dan hebben we dadelijk een heerlijk aperitiefhapje zo op 4 januari.’ ‘Super, zei ik, daar hoort iets lekkers bij. Jeetje, ik kan die kleine glaasjes niet meer vinden, zeker in de vaatwasser. Weet je wat,’ zuchtte ik overdreven, ‘dan moet het maar hiérin.’ En ik nam twee grote glazen uit de kast en schonk het ene vol rode wijn voor hem en in het andere rosé voor mij. Het leek wel of ik nu een minuut doorschonk, zo snel went het om kleine glaasjes te vullen. Zijn brede grijns was mijn beloning.