De passevang, goej boter, de pedèrm en andere verhalen uit de smokkeltijd

Hamont-Achel – Enkele weken geleden zit een gezelschap te dineren in een plaatselijk restaurant. Naast het bestuiten van alle lekkers dat wordt voorgeschoteld, komt ook  de voorbije periode ter sprake dat in onze regio nog wordt gesmokkeld. In dit tweede smokkel-artikel gaat dat gesprek verder, eerst nog even over de passevang, en nadien over ‘goej boter’ en de ‘pedèrm’. Voor de liefhebber wellicht de moeite waard om het gesprek achteraf op te tekenen.

Tekst en foto Evert Meijs

In deze krant van 27 december gaat het over de passevang, officieel ook carte-passavent genoemd, of ook wel geleikaart, voor het vervoer van vee en fraudegevoelige waren als alcohol, tabak en boter binnen de tolkring. Bij vee moest dit soort documenten bijvoorbeeld worden voorgelegd bij de begeleiding van een transport van verkochte koeien of als de dekstier werd uitgeleend. Voor Belgische boeren die hun vee wilden laten grazen in weilanden op Nederlands grondgebied werd dan weer een weidepas gebruikt. Een kalf werd gekoppeld aan het stalboek dat door de boeren moest worden bijgehouden en waarin de bewegingen van de veestapel per stuk werden bijgehouden in een soort van inventaris (geboorte, verkoop, slacht,…). Er werden regelmatig controles uitgevoerd door de douaniers van de lokale brigades, maar het systeem was zeker niet waterdicht. Een afbeelding van een passevang is bij dit artikel afgedrukt. 

In Hechtel was een passevang geen vergunning voor de douane, maar eerder een bewijs van betaling van de accijnzen voor alcohol. De passevang was anderzijds vereist voor het hout sprokkelen in de bossen van het militair domein aldaar. Het afleveren van de stalkaart met passevang bij verkoop gold waarschijnlijk alleen in de grensstreek en hoort in feite dus niet onder Hechtel.  

Terwijl in het restaurant het nagerecht wordt opgediend, wendt het gesprek van de mannen zich richting het onderwerp ‘goej boter’. “Ook met boter moest je binnen de tien kilometer van de grens kunnen bewijzen: ik heb daar mijn koe staan (met een passevang), die heb ik gemolken, en heb er zelf boter van gemaakt. En anders kwam de negatieve wetgeving: dan konden ze denken dat je die gesmokkeld had uit Nederland. Dat betekende voor de smokkelaars dat ze in Nederland zo veel konden gaan halen als ze wilden, als ze het in België maar buiten die tien-km-zone hadden, “of binnen de zone mét een ander papierke er rond”, zo vertelt één van de heren. 

Negatieve zone
Want er wordt ook veel boter in kisten gesmokkeld in de jaren vijftig. “Was dat geen 10 of 12 kg? Er werd in de melkerij boterpapier in de kist gelegd en de boter kwam rechtstreeks uit de botermachine in zo’n kist. Er werd dan nog wat mee geschud –de boter was nog warm- , de boter stijfde dan wat op en die kisten kon je stapelen”, aldus gaat het verhaal over de tafel. Heb je in België binnen die tien km dus boter, dan moet er het juiste papier omheen zitten. 

“In Hamont aangekomen, werd de gesmokkelde boter vaak naar de grossier gebracht. Die zorgde dat de goej boter zo snel mogelijk in het juiste papier werd verpakt.  Buiten de zone werd niet gecontroleerd. “

Melkerijen
“Zodra de kinderen van mijn oom veertien of vijftien werden, gingen ze mee smokkelen”, gaat één van hen verder. “Als je de distributie in eigen hand kon houden, kon je veel meer verdienen”, zegt hij lachend. “Er waren machines waar die grote boterkisten in leeg werden gemaakt. Dan werden er pakjes van ’n pond van gemaakt. Men had nieuwe Belgische papiertjes laten drukken om de kleine pakjes boter opnieuw mee in te pakken. Zo werd de Nederlandse boter Belgisch. Vaak kon je bij de melkerijen wel ’n paar duizend van die papiertjes kopen. Het werd dan ineens ‘boter van St.-Huibrechts-Lille, hè.” “Onze pa smokkelde ook boter”, zegt de man aan de andere kant van de ronde tafel. “Als kinderen moesten wij vaak in Schoot boter gaan halen en thuis onmiddellijk in krantenpapier inpakken en in de kelder leggen. Ons vader werkte in Mol op de statie. Als ie ging werken stak hij altijd twaalf kg boter in zijn malet (aktentas) en pakte dat mee naar Mol”, zo herinnert hij zich nog. “En mijn oom werkte in Winterslag op de mijn en had alle dagen Hollandse producten bij zich om daar te verkopen. Zo verdiende hij een aardig francse bij, hè. Tot zeemvellen toe”, weet de collega nog.

Poederfabriek
Als je smokkelaars hoort vertellen: het was soms op het gekke af. Auto’s met dubbele bodem, klompen die een achterstevoren-afdruk hadden. “In de Erkstraat zat een klompenmaker die een wagen had met een afdakje en met dubbele bodem. Hij moest regelmatig  leveren aan het poederfabriek in Kaulille. Want schoenen met nagels geven vonken. Tussen de  klompen zat de boter. Op d’n duur is ie gepakt”, zegt het verhaal van één van de gasten. “Overigens stond in die straat ook een commiezenhokje”, vult een ander aan. Als laatste wordt koffie en thee geserveerd en blijkt het diner prima gesmaakt te hebben.

Pedèrm
Tenslotte gaat het gesprek nog over de pedèrm. Een dialect-woord met de betekenis van een toelating om te jagen. “Da’s nu nog zo. Je moet wel een diploma hebben wil je kunnen gaan jagen”, meldt één van de Vlaamse heren in het Nederlandse restaurant. 

Wellicht moet het geschreven worden als ‘pedarm’. In het Hechtelds dialect is het woord als perdaêr’m opgetekend. “Zo’n bewijsbrief had je nodig voor de jacht. Als je een wapen wilde dragen”, zegt één van de gasten, en neemt nog eens een slokje van een speciaal biertje. Intussen babbelen de dames over haken, breiden en kantklossen. 

In het dialectwoordenboek van Hechtel staat te lezen: 

Perdaêr’m, predaêr’m: verlof, vergunning voor wapendracht, veroorloving, bewijs van toelating of toestemming tot jagen. / Permissie: permissie, vergunning / Permie: permis, permissie, vergunning, verlofbrief / Vur bosbeêren te plukke moesde ne permie hoâëlen in Kâmp (De bosbessen stonden in de bossen van het militaire kamp.).

Dan is het diner ten einde en verlaat het gezelschap welgevoed, voldaan en weer een stukje wijzer het dorpsrestaurant.