Winterkoninkje

Ik zag een heel schattig piepklein winterkoninkje, dat bij mij aan de overkant van het huis onder de dakgoot aldaar een huisje aan het bouwen is. Eerst dacht ik, dat kan niet, dat is geen winterkoninkje, want die nestelen toch op de grond in struik of heg? Neen dus, ik heb het opgezocht. Onder de dakgoot zitten nog grote stukken ouwe klimop, die een tuinman ooit heeft geprobeerd te slopen maar dat is niet gelukt. En nu heeft het zijne Majesteit het Winterkoninkje behaagd daar een nestje te maken. Hij heeft het druk! Hij vliegt wel twintig keer op en neer, wat zeg ik, wel 100 keer. Hij wil het heel mooi maken. Ik stoffeer het met hondenharen heeft het gedacht. Eerst maak ik aan de buitenkant takken en veren en blaadjes en aan de binnenkant, een mooi zilverpapiertje en prachtige bruine hondenwol. Het leeft z’n eigen kleine leventje, het weet van geen corona. Ik kijk het af. Ik zit op de bank binnen in de huiskamer en kijk naar buiten naar de goot, waaronder hij aan het bouwen is. Hij heeft een bouwvergunning aangevraagd aan zijn vrouwtje. Zal ik? Daar? ’Doe maar,’ antwoordde ze snibbig,’ ik zie wel wat het wordt, als er maar plaats is voor 4 eieren. Anders  kom ik niet.’ Ik zie dat aan en denk er dit bij. Verder heb ik niks te doen. Jawel, ik moet poetsen, maar daar heb ik geen zin in. ’s Morgens sta ik op, loop na de badkamer door de rest van het huis, kijk naar de vloer en zeg bij mezelf: Kan het nog? Het kan nog, denk ik dan, maar toch maar nét. Het kraakt en knerpt  al als ik loop. Ik haat stofzuigen. Ik haat dingen nat maken en afvegen en schuren en met sop behandelen en matjes uitkloppen en afwassen, maar vooral haat ik vloeren reinigen. Ik weet nooit precies waarmee. In dat gedeelte van mijn brein zit een forse kortsluiting. Van bloemen heb ik ook geen verstand. Ik heb nog steeds die orchidee van twee jaar terug, hij is inmiddels twee maal helemaal kaal geweest en heeft weer opnieuw bloemen gekregen. Dit is dus nu de derde worp. Toen hij voor de tweede keer helemaal kaal was, was ik eigenlijk blij. Zo, hij gaat eraan, dacht ik, mooi, nog even en ik kan hem weggooien. Opgeruimd staat netjes. Maar toen was er eens bezoek en die zei: kijk daar, en daar, en ze wees dikke bulten aan op de stengel, hij gaat weer helemaal uitlopen; hij begint weer. Nee, zei ik, die bulten dat is een ziekte. Nee, zei ze, dat zijn knoppen. Ze was helemaal blij. Ik niet. We zullen wel zien, zei ik, wat er uitkomt. En nou hééft ie me toch een bloemen. Een stuk of dertig allemaal even mooi en groot. Waar doét  hij het van. Iemand moet hem stiekem water geven want ik doe het niet. Nee, geen dertig, negentien of zo maar aan de voorkant zijn er nog meer bobbels te zien. Als ik er zo uit zou zien met die gezwellen zou ik naar de dokter gaan. Maar goed, zo zit ik dus, alleen, geen vriend meer, die is ook alleen, geen mensen meer, ik verkommer. Iedere dag koken of opwarmen, of een doos open scheuren en in magnetron of oven stoppen. Er is niet veel meer aan zo. Het duurt te lang. In het begin ging het nog wel, was het soms nog grappig met dat gestoelendans in de winkel, maar er moet ooit een einde aan komen. Anders verkommert iedereen en wordt vals, depri, bitter en NSB-achtig met die ellende bij de grens. Gelukkig heb ik mijn computer en de spelletjes die ik online kan doen met andere gekwelden. En….. ik heb nu het winterkoninkje. Het is mij nu al heel dierbaar en het moet nog alles doen, nestje afbouwen, vrouwtje verleiden, boodschappen doen. Stofzuigen. O nee, dat was ik die dat moest.. Ik ga het nu  helemaal afkijken. Zijn nestperiode. Het is een lichtpuntje in deze nare tijd. En voor de rest heb ik toch weinig te doen. Ja poetsen, maar dat doe ik alleen als het water me aan de lippen staat.

Reageren? Graag! Dat kan via Guus.van.Winkel@pandora.be