Broeder

Een paar weken terug kreeg ik een mailtje van een lezeres die vroeg of ik niet nog eens over mijn kostschooljaren kon schrijven. Beter dan over corona. Ik had ooit, jaren terug zo’n mooie column geschreven over mijn vader en een reep chocola terwijl ik op kostschool zat. Die column is trouwens niet in het laatste boekje ‘Atelier Rosé’, terecht gekomen. Helaas. Nu dan, op verzoek:

Toen ik in de brugklas zat van het meisjespensionaat  St.Ursula te Roermond, kortweg, bij de nonnen op kostschool, had ik een vriendinnetje dat Beb Martens heette. Ze woonde in Lith aan de Maas. Ze was heel goed in alles. In de klas was ze het beste en met sport was ze ook het beste. Toch was ze mijn vriendinnetje. De andere meisjes, er waren toen 61 internen, benijdden mij om mijn vriendschap met Beb. Overdag speelden wij  Winnetou en Old Shatterhand in het geheim. Ik was meestal Winnetou en zij Old Shatterhand. Soms wisselde dat, dan zei ik  zachtjes tegen haar in het voorbijgaan in de gangen als we naar de refter of de kapel liepen bijvoorbeeld: vanaf nu ben ik weer Old Shatterhand, goed? En zij knikte dan. We stuurden elkaar ook briefjes. Zo van: Winnetou, jij morgen mijn vis eten, dan ik vanavond jouw macaroni nemen. Die stuurden we dan door de studiezaal. We kregen altijd macaroni op donderdagavond, daar was ik gek op en de vis op vrijdag kreeg ik absoluut niet weg. Daar zat ik zowat bij te kotsen aan tafel. Andere meisjes hielpen mij daar dan vanaf. Op zondag mochten we naar de kostschoolbieb – want we mochten maar éénmaal in de drie weken een weekend naar huis – en we mochten dan één boek lenen. Dat hadden we dezelfde avond weer uit. We lazen alle boeken van Karl May, daar waren we gek op. Indianenboeken, ik kende ze allemaal. En Beb ook. Soms maakten we ook ruzie per briefje. Waarom weet ik niet meer. Dat ging dan van: ‘Winnetou niet fair tegen Old Shatterhand geweest. Mij willen broeder niet meer zien’. Of: ‘Waarom jij spreken verradertaal met zij meisje Loes?’ Op zondag mochten we ook voor een kwartje snoep kopen in het geïmproviseerde snoepwinkeltje van de nonnen. Er waren marsen, die kostten een kwartje, klievers, ook een kwartje en drop en spekken. Ik kocht altijd een kliever. Dat was een uit negen gelijke stukken bestaande schijf harde karamelblokjes. Daar deed je lang mee. Die at ik dan op tijdens het lezen in de studiezaal. Dat was net de hemel op aarde naar kostschoolbegrippen. Beb kon nooit kiezen uit het snoep. Ik kreeg dan een briefje van haar met: ‘Old Shatterhand schijfje van mijn mars dan Winnetou drie stukjes kliever krijgen?’ Dat vond ik goed. Buiten op de speelplaats speelden we vaak trefbal. Een gedeelte van de speelplaats werd dan in twee vakken verdeeld, met krijt. De verdeling van de partijen ging via het kiessysteem. Beb was altijd de eerste die gekozen werd, ik een van de laatsten. Op een keer zat ik weer in de andere groep en Beb gooide mij af. Als je de bal niet kunt vangen als hij keihard in je richting wordt gegooid, ben je af en moet je aan de kant gaan staan. Beb gooide dus een bal keihard tegen me aan, die ik niet ving. Ik bleef stokstijf staan, keek haar aan en riep met tranen in de ogen want het deed nog pijn ook,  op smartelijke toon: ‘Broeder!’  Zie mij staan, klein, ik was de kleinste van de klas, donkerblauwe te grote plooirok aan, door mijn moeder zorgvuldig op de toekomst afgestemd, lichtblauw blousje, donkerblauw vest, afgezakte kniekousen en dan: broeder!. Het was treurig en komisch tegelijk. De andere meisjes lachten. Haha, broeder. Wie is er hier een broeder? Ik liep het veld af. Het jaar daarop ging Beb naar 2 gym en ik naar 2 MMS en hadden we andere schoolwerelden overdag. Toch praatten we nog wel samen, maar nooit meer in het Winnetou’s. Onze echte kindervriendschap was over.
Reageren? Graag -> guus.van.winkel@pandora.be