Lockdown

Op zaterdag 9 mei liep ik met mijn honden op zo’n zandpad met groene binnenberm, dat zijn de echtste zandpaden, tussen de weilanden nabij de grens en hoorde opeens een koekoek. Het was zeven uur ’s avonds en nog warm. Het klonk prachtig. Hij zong zijn mooie lied dat zoals altijd veraf klinkt. (Ik had mijn gehoorapparaten in) Een koekoek moet altijd veraf klinken. Het is het geluid van vroeger, van toen je jong was. En terwijl ik even bleef staan luisteren en rondkeek naar de mooi omgeploegde akkers, het pas geschoren frisse groen van een weiland en de zon door de bomen nog warm voelde schijnen, en in de verte de torenspits van Budel zag en de huizen van mensen, vredig in de avondzon, dacht ik, wat doen wij elkaar toch aan? Met die belachelijke lockdown. Je mag je eigen familie niet eens zien, niemand aanraken als je geen gezinsleden hebt, niet knuffelen, niet kussen, niks. En waarom? Om een virus dat even overdraagbaar is als een griepvirus. In 2018 heerste er ook een flinke griep. Toen waren er meer doden dan nu. Dat is bewezen. Is gewoon op te zoeken. Dan weer denk ik, ja, maar als we geen afstand namen en beschermende maatregelen namen, dan waren er wél meer doden. Zou dat zo zijn vraag ik me af. Misschien wel. Maar wat is de prijs? Ons hele normale, o zo goede leven van weleer komt misschien nooit meer terug. De economie gaat een inktzwarte periode in. Ach, ik praat nou maar gewoon iedereen na. Want iedereen weet alles inmiddels.  Ik heb er de ballen verstand van. Ik weet alleen dat ik het, ondanks dat ik geregeld naar buiten kan met mijn honden en inmiddels ook naar mijn in Nederland wonende partner, allemaal verschrikkelijk vind. Dat belachelijke gedoe in de supermarkt, dat gehannes met de karren als je te dichtbij dreigt te komen. Dat handen wassen de hele dag door. Dat gezeik met die mondkapjes. Geen restaurant- of cafébezoekjes, niet naar een museum, een concert, niet naar de kapper, Ik heb de grijze uitgroei van mijn haar al twee maal zelf proberen te verven met wisselend succes. De eerste keer had ik zo hard op de flacon met het gemene ogenwrijfspul gedrukt dat de inhoud in een keer eruit stulpte en overal door de hele badkamer verspreid lag. Ik kon nog wat restanten redden en in mijn haar smeren. De tweede keer was ook geen feest. Leve de kapper. De ene keer kom ik in opstand: die lockdown is gewoon vrijheidsberoving en druist in tegen de grondwet, de rechten van de mens, en word ik kwaad, dan weer denk ik, ach, laat ik maar verstandig zijn en me overal aan houden. Maar dat laatste gaat steeds moeilijker. Het is vooral onrechtvaardig. Nu hou ik erover op. De vogeltjes in mijn tuin doen het allemaal fantastisch. Ze zingen en fluiten dat het verrekt en hebben nestjes en jonkies dat het een aard heeft en het is geweldig om af te kijken. Dat is tenminste vrolijk en goed. Behalve dan die ene kievit die ik vanuit de verte heel triest op het pas geschoren veld naar zijn nest zag zoeken. Hoe ik weet dat hij triest was? Natuurlijk was hij dat. Je huis, je gezin, in één keer weggevaagd. Hij bleef wel een half uur op en neer drentelen, maar het was weg. Weggemaaid. Nou begrijp ik ook de koekoek beter die zijn eieren in andermans nest legt. Een soort lease-nest. Hij schuift gewoon moeder mees even opzij, legt z’n ei bij haar andere eieren, tikt aan z’n pet en zegt, dank u beleefd. Hij vult geen afstandsformulieren in of niks. Hij vraagt er nog net geen geld voor.  En z’n kinderen groeien toch evengoed op en niet als weesjes. Goed gedaan koekoek. De natuur doet het beter dan wij. Koekoek, koekoek, koekoek, en wij stomme mensen:  lockdown, lockdown, lockdown.