Biechtstoel

Heel toevallig, ik was legaal in Bree beland, of misschien wel illegaal, weet ik veel, het verandert steeds, liep ik een kerk binnen vanwege de koelte. Helemaal leeg die kerk, enfin ik liep naar voren, toch enigszins beducht want zo’n verlaten kerk boezemt toch onrust in. Ik voelde meteen wat zonden op mij drukken. En waarachtig, daar schuifelde zowaar een priester mèt mondkapje op, net de biechtstoel in. Ik schoof mijn mondkapje omhoog en ging op het zondaarsbankje zitten. Meteen schoof het schuifje opzij. Het kan goed zestig jaar geleden zijn dat ik nog eens gebiecht heb maar ik wist meteen de hele riedel weer: ‘Vader, vergeef mij want ik heb gezondigd,’ begon ik meteen vanachter mijn mondkapje dat mij door de gemeente Hamont verstrekt werd. Hij had geen gemeentelijk kapje voor, dat zag ik meteen, dat was nonnenwerk wat hij ophad. Met echt vroom borduursel van een kelk op de voorkant waardoor hij een beetje ruisend ademde. Zuster Corona had hem vast geprikkeld. ‘Zeg het maar, mijn dochter,’ zei hij. En hij voegde er een beetje streng achteraan, ‘geen onkuisheid graag, want daar doen we in deze tijd niet aan, ik wil coronazonden horen.’ Ik schraapte mijn keel: ‘Goed vader, ik doe mijn best, ik heb heel wat coronazonden op te biechten.’ ‘Mooi,’ zei hij. ‘Steek van wal’. ‘Gister was ik in de supermarkt en ik heb met mijn karretje een onschuldige klant naar de afdeling vis gedreven omdat ze een beetje in mijn vaarwater stond.’ Hij knikte, ‘Ga door’. Ook heb ik een klant tegen het eierrek aan geperst, maar daar kon ik niks aan doen, ik werd zelf bij het hondenvoer verjaagd.’ Weer een knikje; ‘Van de week was ik jarig en toen heb ik achter in de tuin meer dan het toegestane aantal bezoekers laten komen.’ Hoeveel, mijn dochter?’ Vijf, waaronder twee kinderen.’ ‘Vast wel meer, zei hij en rochelde een beetje. ‘Hoe weet u dat,’ zei ik, ‘er waren ook nog twee vriendinnen en drie kleinzoons, ik snikte, en… en.. nog een nichtje en haar vr… vr..iend die ik pas een, een keer gezien had. En een broer en een schoonzusje waren er ook. Met de fiets. En later kwam er nog een zusje en een neef maar toen was iedereen al weg en zat ik alleen alle taart die over was op te eten en nog rosé te drinken, die ik gekregen had. Is dat erg?’ vroeg ik snikkend. ‘Dat is heel erg,’ zei hij, en hij liet een katholiek vettig kuchje horen, z’n hele kelk besloeg. ‘Ik moet je daarvoor toch heel wat penitenties opgeven, want die laatste zonde, die is niet flauw. Had het bezoek wel mondkapjes op?’ Neen, eerwaarde, schudde ik, ‘we zaten buiten, en.. en… ze hebben gezongen ook, daar kon ik niks aan doen.’ ‘Dat worden dan acht weesgegroetjes, tien onzevaders en twee aflaten.’ ‘O, wat fijn, juichte ik achter de tralietjes, ‘mag ik twee keer mijn mondkapje aflaten?’ ‘Neen’, zei hij streng, dat bedoel ik niet, een aflaat is heel wat anders, zoek dat maar op in de catechismus. En nu graag een oefening van berouw.’ Oei, dacht ik, als ik die nog maar ken. ’Oefening van berouw,’ begon ik, ‘oefening van berouw. Niet genoeg geoefend, ik ken hem niet meer. Ik ga nu beste pastoor, de rest zeg ik thuis wel op.’

En ik sloeg het gordijn weg en rende vlug de kerk uit, het mondkapje hing maar aan één oor en fladderde achter me aan. Ik keek nog een keer om, hij kwam net z’n hokje uit. ‘Denk aan je biechtgeheim edelachtbare,’ riep ik naar hem door de verlaten kerk, ‘dan zeg ik ook niks over zuster Corona.’  

Reageren? Graag! Dat kan via Guus.van.Winkel@pandora.be