Ontbijt

Twee weken geleden zaten we nog ’s morgens aan ons ontbijt, toen nog een tamelijk corona-ontbijt want veel was het niet meer na een boodschaploos weekend. Het was dus maandagmorgen, mijn vriend zou daarna weer naar zijn eigen lockdownhuis vertrekken. Hij belegde een boterham met ham en vertelde intussen dat hij gedroomd had die nacht, dat hij vele kastelen bezocht had, door heel Europa. Een of ander kasteel waarvan hij de naam noemde in Italië, naam ben ik vergeten en nog ergens een in Zwitserland. Dat had natuurlijk met de grenzen te maken ergens, die droom. Ik was juist bezig een zielige cracker met boter te besmeren om er daarna stroop en frambozen op te doen, mijn favoriete ontbijt toen hij vroeg: en jij wat heb jij gedroomd vannacht? Ik kon me niks herinneren hoewel ik toch een groot dromer ben. ‘Ik heb veel scheten gelaten vannacht’, zei ik, en hapte in de cracker. ‘Een stuk of tien zeker. Komt vast door die armoeiige bonensalade die we gisteravond gegeten hebben.’ Ik wilde eigenlijk die avond iets bij de Chinees halen maar toen ik daar aankwam stonden er drie mensen buiten te wachten en die vertelden dat je eerst moest bellen en bestellen en buiten wachten tot je teruggebeld werd dat je bestelling klaar was. Ik belde de Chinees want het nummer was aangeplakt op het raam voor, allemaal heel handig, behalve dan dat hij niet opnam. Steeds in gesprek. Na 8 keer ging ik maar naar huis en bedacht wat er nog zoal in de diepvries en op de kelderplank lag. Veel was het niet maar we brouwden er samen toch nog wat van. Ik ben het tegenovergestelde van een hamsteraar en ik kan moeilijk eettechnisch vooruit denken. Dat er nog een pizza en wat andere troep in het diepvriesvak lag was meegenomen. Wat groenvoer ligt er altijd wel in de groentela. Het enige wat ik altijd op voorraad heb is rosé. Nooit zal men mij zonder treffen. Dat is tenslotte van levensbelang. Aardappels en pasta heb ik ook meestal wel, eieren ook, zodat er toch nog redelijk wat te eten viel. Jammer dat ik er een blikje bonen bijgedaan heb, die deze keer minder goed vielen en waar ik zelf de hele nacht last van heb gehad door hun naargeestige afdronk. O, wat heb ik toch een hekel aan dat ik iedere dag zelf iets moet maken. Maar dat was dus twee weken geleden.  

Maar nu, nu komt het, we zijn weer in het heden. Winkels open, restaurants en de terrassen en de cafeetjes weer open. Kappers open. We hebben er intussen dankbaar gebruik van gemaakt. De eerste keer dat we samen weer in een restaurant aten was op een donderdagavond.  We liepen op de bonnefooi naar binnen en we verwachtten er eigenlijk toch niet te veel van. Maar na enkele diepgravende vragen en correcte antwoorden daarop, nee, nee, nee en nee, mochten we gewoon aan een tafel plaatsnemen. En we kregen zomaar eten. Het was net een wonder. En tegelijkertijd was het net alsof het nooit anders geweest was. Het was heerlijk. Idem dito bij de kapper vorige week: eerst vragen beantwoorden. Of ik koorts had, ziek was, hoestte, iemand van mijn huisgenoten verkouden was, nee, neen en nogmaals nee, wel moest ik op de laatste vraag bekennen dat de hond die morgen nog gekotst had, maar dat, glimlachje, nee dat telde niet. En ik mocht plaatsnemen en de ruïne op mijn hoofd werd min of meer hersteld. Toch is er in de supermarkt nog steeds sprake van  anderhalve meter afstand houden en terugdeinzen en kapjes op. We lijken wel dieren. In hokken. En kooien. Achternagezeten, bekeken en gewantrouwd. Maar het startsein is gelukkig gegeven, terrassen open en vanaf de 15e àlle grenzen open. Ik kan weer naar Frankrijk en dat ga ik doen ook, en hopelijk kan ik u over twee weken daarover vertellen.