Foei woorden

Ik kroop om half een ‘s nachts naast mijn vriend in bed in Frankrijk en zei zachtjes: ‘Hèhè, pfff, gelukkig, ik heb de column voor deze week eindelijk klaar. Dat was een ellende zeg, met dat belachelijke, vreselijke gedoe over die discriminatie en dat racisme, je mag bijna geen een woord meer schrijven of je bent een racist.’ Ik weet niet of hij wakker was en luisterde maar hij bewoog wel dus ik ging gewoon verder . ’Ik moest echt behoorlijk wat rosé drinken om bij de les te blijven. Een woord als oelewapper, mag bijvoorbeeld niet meer. Heb ik opgezocht. De oele’s waren vroeger die dingen, van katoen, waar de slaven mee wapperden om hun blan… eh.. witte meesters koelte mee toe te wuiven. Tja, dus geen oelewappers meer in de column. En ik heb de laatste 4 stroopwafeltjes opgegeten. Dat mocht nog wel. Eerst wou ik er nog een voor je te bewaren, maar echt, helemaal gedachteloos van de concentratie heb ik dat ook naar binnen gewerkt. Ook maar beter ook als je zoveel rosé moet drinken. En het boek, de ’Negerhut van Oom Tom’ dat in Hamont in de kast staat, daar staat zowat de doodstraf op. Zeg dat tegen niemand, ook niet omdat ik alle stroopwafeltjes heb opgegeten, want dan komen ze me hier van m’n bed lichten… eh… lichten… witten, bedoel ik om me te martelen en zo. Een paar dagen terug zaten we toch op de markt in Villeneuve en toen zat ik daar tussen al die witte mensen, Nederlanders met jou, weet je nog wel en ik vertelde die ene mop over die schoorsteen en dat roet, die roetmop, oei, dat mocht dus eigenlijk niet, ook een foeiwoord. Master bedroom, mag niet meer en nou we het er toch over hebben, roomblank, ook foei. Dus, wat kon ik schrijven zo midden in de nacht met slechts een 5 literpak rosé in de koelkast en 4 treurige kleinformaat stroopwafeltjes naast me. Ik wou dat ik tientallen pakken grote stroopwafels had meegenomen naar hier of dat die Fransen eindelijk eens zelf stroopwafels leerden bakken. Hoe dan ook, ik had iets geschreven over iemand en ik wilde die iemand een droplul noemen, maar ik zocht het op, mocht niet, drop is verboden, dat is zwart en beschadigt de zwarte mensen, om van lul nog maar niet te spreken. Zo bleef er steeds minder over om nog een verhaaltje van te maken. Ja ik kan wel vertellen dat het hier zulk schitterend weer is en dat de wielewalen (die mogen wél nog) zo prachtig zingen en fluiten, o wat mooi is dat toch maar dat zeg ik al iedere keer en dat verveelt ook natuurlijk. Oetlul, van hetzelfde laken een pak. Oet is onkruid tussen het katoen, dat de slaven moesten plukken vroeger en misschien is daar onze gekleurde medemens niet van gediend en de witten ook niet, die streng in de leer zijn. Leer mag wel nog. Tja en het stukje werd korter en korter, daar kon ik ook niks aan doen, anders was het te racistisch. Oei, ik zie nu ineens wat ik geschreven heb. Wielewalen, dat moet natuurlijk wielevlamingen zijn, sorry hoor, het wordt tijd dat ik ga slapen zodat ik morgen fit ben. Anders kan ik niet in de zon gaan liggen bakken om lekker bruin te worden. Bruin, haha, verkleurd bedoel ik, nee, bruin, haha, oei, foei!’