Voorbarig heimwee

Ach toch. Binnenkort ga ik weer terug naar België, naar Hamont, na een lange vakantieperiode die toch heel druk was en met de nodige zorgen, hier in Frankrijk. Mijn internetproblemen zijn ten langen leste opgelost. Er prijkt een satellietschotel op het dak en ik kan dit stukje zonder problemen versturen. Ik weet nog steeds niet of ik nu donderdag of in het weekend terug rij. De laatsten die hier op vakantie waren, zoon, schoondochter en hun twee jongens, zijn vertrokken. Het is leeg en stil en kaal en nergens slingeren meer handdoeken en gore sokken van de jongens. Ongelooflijk grote slippers hadden ze ook, maat 46 en maat 47, terwijl ze toch pas 16 en 14 zijn. Ik val er niet meer over. Geen puberaal gebrul en gelach meer uit het zwembad. Geen grauwe mondkapjes meer op de vensterbank. Het groen in de bomen, in de bossen op de bergen om mij heen oogt iedere dag lijkt het, wel een tint lichter, naar het geel toe en over alles hangt iets verlatens terwijl het toch pas 18 augustus is wanneer ik dit schrijf. Het is eigenlijk nog volop zomer, toch voelt het al aan als herfst. Het zit in mij denk ik. Het is het heimwee bij voorbaat. Toch ben ik niet alleen. Ik ga naar vrienden en tref andere vrienden op de markt. De honden blaffen vanaf het balkon gezellig naar wandelaars die beneden door de rivier lopen. Tegenwoordig blijft het poortje naar beneden streng gesloten want menig wandelaar of mountain-biker heeft al voor zijn leven moeten sprinten als de stoute Marie ze luid blaffend tot ver op het pad achterna zat. Dat gebeurt niet meer. Wel doet ze nog veel verkeerd. Als ik ze allebei uitlaat ’s morgens, eerst op het pad dat van ons huis naar de weg loopt, ongeveer 300 meter, een steenachtig karrenspoor, slaan ze meestal al toe en maken een drol. Simo gaat netjes een eind uit het pad zitten met zijn rug in de struiken maar Marie poept zomaar waar het haar uitkomt, midden op het pad, in het spoor van waar je moet lopen. Hup, ineens zit ze, en drie seconden later huppelt ze weer verder terwijl er een fraai baksel midden op het pad achter blijft. Meestal veeg ik dat al zwiepend met een stok of tak aan de kant, maar laatst had ik het laten liggen omdat ik geen takje zag. Later reed ik met de auto over ons pad met de jongens naar het dorp. Ik zag het hoopje duidelijk liggen maar reed er niet overheen. Op de terugweg een paar uur later zei ik tegen de jongens (hoe kan een oma scoren bij jongens die alles beter weten) Jongens, de postbode is geweest. Ik zal stoppen bij de brievenbus, dan halen jullie de post er maar uit. Welnee oma, hier komt toch nooit post, zeiden ze. Je zult het zien, zei ik en stopte bij de brievenbus die naast de doorgang van de beek op 50 meter van ons huis geplaatst is. Een van hen stapte uit en opende de brievenbus. Er lag een brief in. Goh, zei hij, hoe wist je dat? Heel eenvoudig, zei ik, de drol van Marie van deze morgen was geplet. Heb ik niet gedaan dus moest er iemand anders over gereden zijn. De enige die op dit paadje rijdt is de postbode, of wij. Dus was er post. Want papa is niet weggeweest met de auto. Eenvoudige bewondering viel mij ten deel, maar als ik iets van mijn I-phone wil veranderen moet ik het aan hén vragen. Dat kan ik dan weer niet. Toch heeft de herinnering aan dit kleine poepsuccesje mij weer wat opgebeurd. Vandaag ga ik met mijn nichtje die hier ook is, uit eten. Toch ook heel fijn. Morgen naar de markt. Tjee, ik weet nog steeds niet wanneer ik naar huis ga, maar lang duurt het niet meer. Aan alles komt een einde.  

Reageren? Graag! Stuur een e-mail aan Guus.van.Winkel@pandora.be