Ook het huis van Onze Lieve Heer moet gepoetst worden

SOERENDONK – De parochiekerk Sint Jan Onthoofding in Soerendonk heeft haar deur op woensdagmorgen open staan. Dat nodigt uit om naar binnen te gaan. Bij het altaar, vóóraan in de kerk, is de poetsdienst van het bedehuis bezig met stoffen, zuigen en dweilen. Een onverwachte ontmoeting met drie stille werkers.

Tekst en foto’s Evert Meijs

“Ben je op weg naar Santiago?”, vraagt Annie Staals, gewapend met een plumeau. Als toevallige passant ben je meer herkenbaar als aanstaande bedevaartganger dan als correspondent van deze krant. Maar gelukkig kent Annie HAC Weekblad heel goed. Ook voor Jan en Julia Doezé is het verbazingwekkend om oog in oog met de ware verslaggever te staan. “Wij poetsen de kerk”, zegt Julia, die ook een plumeau hanteert. Jan is even naar de werksacristie om water te halen. “Eerst poetsten we iedere week, maar door corona komen er steeds minder mensen en doen we het nog om de veertien dagen.” Inmiddels sluit Jan zich aan onder de naam Jan den Doper en ook hij blijkt fan te zijn van deze krant.

Moppen

“Vorig jaar bestond de parochie 200 jaar en dat hebben we gevierd”, zegt Annie, die dan het boekje De Heraut overhandigt, met de geschiedenis van de parochie en het kerkgebouw. “We hebben gevochten om de kerk open te houden. En dat is gelukt”, zegt ze fier. “Maar het huis van Onze Lieve Heer moet ook gepoetst worden”, zegt ze lachend. Julia en Jan wonen sinds enkele jaren in Maarheeze en Annie in Zoerik. “Onze Jan is enen echte Zoerikse”, vult Julia aan. Inmiddels is haar echtgenoot met de mopwagen naar achteren om daar te gaan moppen.  Er is nog een andere poetsploeg volgens de dames: de koperpoetsploeg. Die komt twee keer per jaar in actie; met Kerstmis en Pasen. Drie andere dames zijn de bloemenmeisjes die de bloemen en planten verzorgen en tenslotte is er ook nog de kerkhofploeg.  “Die komt elke eerste vrijdag van de maand”, zo luidt het.

De superplies van de misdienaars

Er wordt door de schoonmaakploeg gestofzuigd, gemopt, gedweild en ook het spinnen ragen behoort tot de werkzaamheden, net als het bijvullen van de kaarsen. “Er zijn nog nooit zo veel kaarsen aangestoken als in coronatijd”, volgens Julia. “We kregen ze bijna niet aangesleept. En we doen samen de was. De tafelkleden, de handdoeken en de doeken van de communiebanken wassen we zelf. Vroeger had je nog misdienaars; dan had je ook nog hun superplies om te wassen. Maar de kleding gaat nu naar de wasserij.” legt Annie uit. Het poetsen begint om 09.00 uur en duurt meestal tot tegen elleven. Soms gebruiken ze de tijd om alle banken helemaal uit te zuigen. “Of we gaan naar boven de toren in en maken de trap schoon en de verdiepingen. Maar dan doen we in de kerk niks”, zegt Annie.

We kriegen un goei plats

Na een inbraak is –zo vertellen de poetsters- de ingang gesloten en wordt achter in de kerk een dagkapel gemaakt met een glazen tussenwand, zodat de mensen tóch de kerk in kunnen kijken. “Er ligt ook een boek met de prentjes van de overledenen”, zegt Julia. Op de vraag hoe lang ze al poetsen, zegt Annie: “We poetsten al toen het orgel werd gerestaureerd, dertig jaar geleden. Julia doet het al langer dan ik”, en Julia roept met galmende stem door het kerkgebouw naar Jan wanneer ze begonnen zijn. “Je werkte hier al in 1983”, roept Jan terug. “Mar we kriegen ok un hil goei plats hierbove, hebbe ze me beloofd”, volgens Julia. Pastoor Bakker kwam haar vragen of ze wilde komen poetsen, omdat er iemand was uitgevallen. Diezelfde pastoor strikte enkele jaren later ook Annie om het Godshuis schoon en blinkend te houden. “Ik zette het parochieboekje altijd in elkaar, dus hij kende me al redelijk goed.” Dan vindt er in dialect een discussie plaats wie destijds voor wie in de plaats kwam.

Spannende ervaringen

Als je vraagt of ze ooit iets meegemaakt hebben tijdens hun werkzaamheden, herinnert Julia zich dat door haar schuld een gasslang in de werksacristie in brand is gevlogen. “Het was in de tijd dat we nog water moesten koken in een grote zinken ketel op een gaspit waar vroeger de was op werd gekookt. De gasfles was bijna leeg en ik legde die kruik plat voor het laatste restje gas. De slang kwam tegen de pit en vloog in brand. Ik heb het uit kunnen maken. Voor hetzelfde geld was de kerk afgefikt.” Ze kan er nu mee lachen, maar toen moest zelfs de pastoor vloeken. Ze vond ook wel eens een gouden armband die later weer terug kwam bij de eigenaresse. En Annie heeft een keer de schrik van haar leven gehad toen Jacky Maas van de friettent tegenover de kerk haar opbelde dat er indringers in de kerk waren. “Na veel zoeken hoorde ik plotseling op het koor een deur open gaan. Ik schrok me het apulazarus. Toen bleken het de vleermuizentellers te zijn. Ze hadden de sleutel van de koster gekregen.” Het ergste wat we meegemaakt hebben is natuurlijk dat we er op zondagmorgen achter kwamen dat er ingebroken was.” 

Pleidooi van Annie

Wat drijft jullie om elke veertien dagen weer te komen poetsen?  “Dat zit er gewoon in. Ook toen ik in Heeze woonde, en nu in Maarheeze, kwam ik tóch iedere week met het autooke naar hier, ondanks mijn artrose. En Jan helpt mee om me te ontlasten”, zegt Julia. Het onverwachte gesprek wordt beëindigd met een pleidooi van Annie:  “De mensen moeten kómen. Je hoeft niet elke week op de eerste bank te zitten. We hebben gevochten om de kerk open te houden, maar de mensen moeten wel komen.”  Jan zit inmiddels in de derde bank, luistert en rust even uit.