Grafmaker Pierre Paradis:

“Normaal zou ik op pensioen gaan, maar ik doe het niet; ik ga toch gewoon door op de begraafplaatsen”

Hamont-Achel – Tegen Allerheiligen en Allerzielen worden er extra inspanningen geleverd door medewerkers van Hamont-Achel om de begraafplaatsen weer een pico bello uitstraling te geven. De man die minimaal veertig uur op de dodenakkers in de weer is, zowel in Hamont als in Achel, is Pierre Paradis. Tussen het harken en het schoffelen door neemt hij ruim de tijd voor een gesprek. “Pas morgen heb ik weer twee begrafenissen, dus vraag maar”, zo luidt het.

Tekst en foto’s Evert Meijs

Hij zet zijn kruiwagen even stil en het tuingereedschap blijft er mooi op liggen. Pierre (60) is gehuld in het felgele gemeente-tenue en onthult dat hij de opvolger is van zijn broer, die op 1 januari 2016 met pensioen ging. “De stad vroeg of ik belangstelling had om zijn baan over te nemen. Ik nam enkele weken bedenktijd, want ja, ik wist ook niet of ik het emotioneel wel aan zou kunnen.” Toch stemt hij in met het voorstel en na acht maanden te zijn ingewerkt door broer Harry, over wie we in deze krant in 2010 ook al schreven, begint hij zelfstandig. Intussen komen af en toe bezoekers langs met een schepje of een emmer, om het graf van een dierbare te bezoeken.

Deel van het geheel
“Er zijn dagen bij dat het best wel eenzaam is. Je moet daar tegen kunnen. Je hebt hier wel altijd de mogelijkheid om met iemand te praten, maar ik vind dat je de bezoekers met rust moet laten en niet achterna moet lopen. Ze willen in stilte hier naar toe komen.” Het onderhoud vraagt de meeste tijd van Pierre. Met hark en schoffel zorgt hij constant dat het Boskerkhof en de begraafplaats in Achel netjes blijven. Daarbij krijgt hij regelmatig hulp van de afdeling groendienst van de stad. “In bepaalde periodes groeit het onkruid hard, dan is het fijn dat er assistentie is. Zij scheren ook de heg. Ook nu, vlak voor 1 november, met het verwijderen van bloemen, is het fijn dat er hulp is. En begravingen hebben natuurlijk voorrang op het onderhoud. Bij een begrafenis verlies je eigenlijk één dag, hè.” 

Er zijn meer groepen en afdelingen die Pierre terzijde staan om zijn werk goed te kunnen doen. De afdeling logistiek, de klusjesdienst, de poetsdienst, de metsers, de schrijnwerkerij en de mensen op de werf die het werk mee regelen. “Op het stadhuis zitten ook mensen die contact met mij houden. Ik ben maar een deel van het geheel.” 

Op de vraag hoe de grafmaker zijn werk vindt, zegt hij: “Ik doe het graag. Je moet het van je zelf eigenlijk graag doen. Je moet vanuit je hart spreken. Want soms is het mentaal heel wat. Als een kind begraven wordt, of een volwassene die je kent. Je kunt er wel tegen maar op een gegeven moment kun je toch nog een klop krijgen, misschien. Het moet tóch gebeuren.” 

Urnenkelder of graf?
Zodra er een graf moet worden gemaakt krijgt Pierre een officiële briefing  van het stadhuis. “De begrafenisondernemer geeft het overlijden aan op het stadhuis. Nadien geeft hij door of de overledene zal worden gecremeerd of begraven. Vanuit het stadhuis gaat er een bericht met de details (hoe, wat wanneer) naar de werf. “Die briefing krijg ik en dan kan ik verder. Is het een zelfstandige begraving in een nieuw graf? Is het een bijbegraving in een bestaand graf? Moet een asurne onder een bestaande zerk worden gezet? Of moet de as op de strooiweide worden uitgestrooid?  Of in een aparte urnenkelder?” Pierre wijst naar de plek waar hij nu staat: ring 3, cirkel B en nummer 27. “Die nummers wijzen ons de weg waar we moeten zijn”, legt hij vakkundig uit. 

Thuisbewaringen
“Indien nodig ga ik aan het graven. Nieuwe graven in ring 4 worden met een machine gedaan, maar voor de rest doe ik het zelf met de schop. Het graf wordt minimaal 1.8 m diep, 2,1 m lang en 0,7m breed.  In de vier hoeken wordt dan een steunpaal geplaatst op stevige grond. Daar rust straks de zerk op.”, aldus Pierre die vertelt dat hier geen plaats kan worden gereserveerd, zoals in Nederland. Nog maar 40% van de overledenen wordt volgens hem begraven, de rest wordt gecremeerd en ofwel bijgezet onder een zerk, in een columbarium, in een apart urnenkeldertje met een deksteen of uitgestrooid. “Er zijn natuurlijk ook nog thuisbewaringen”, zegt Pierre en wandelt dan naar een andere cirkel van het kerkhof en begroet collega Tamara, die op het stadhuis de centrale persoon is voor de kerkhoven en die indien nodig contacten legt met nabestaanden.

Sereniteit
“Op deze plek wil ik later wel uitgestrooid worden”, zegt de gemeentearbeider bij het urnenbos. Er liggen enkele dikke boomstammen. Op één ervan zijn houten naamplaatjes bevestigd. “Hier worden kartonnen hulsjes met as in de grond geplaatst op een voor de familie onbekende plek. Intern tekenen we dat wel op, natuurlijk. Bij deze begraving is er dus geen begrafenisondernemer bij en geen familie. Om sereniteit te hebben. Er staat ook een bordje bij Verboden te Betreden.” Tenslotte laat Pierre in ring 1 de graven zien van de Zusters Ursulinen en de Zusters Augustinessen, die door iemand anders worden onderhouden. Bij de kindergraven zegt hij: “Dat raakt u toch, hoor!”