Ozze Pap

In het Eindhovens Dagblad staat al heel lang een rubriek van ene Frank Poorthuis die dagelijks zijn leven beschrijft tijdens de tweede lockdown. In die rubriek vraagt hij soms aan zijn lezers om over een bepaald onderwerp hun bevindingen aan hem te schrijven. Een bloemlezing van twee hele pagina’s daarover wordt dan een aantal dagen later gepubliceerd. Vorige week vroeg hij, uiteraard naar aanleiding van de recente rellen, aan zijn lezers om te vertellen, hoe hun opvoeding was geweest of hoe zij zelf hun kinderen opvoedden. Daarop kwamen weer veel reacties. Ik dacht, zal ik ook reageren? Maar toen dacht ik, nee, ik schrijf het wel in onze eigen HAC. 

Foto Heemkundekring

Tot mijn 15e woonden wij, mijn ouders en hun 6 kinderen waarvan ik de tweede oudste was, in Budel op de Markt waar nu boekhandel Bruna is. Vroeger had mijn moeder daar een manufacturenzaak, stoffen, pyjama’s garen, linten, ondergoed, van alles. Ons mam was altijd in de winkel. Een dienstmeisje zorgde voor ons en kookte. Op woensdagmiddag moest ik vaak ‘passen’. Ik moest dan pyjama’s aandoen voor moeders die hun kind niet bij zich hadden waarvoor ze iets kochten en dat dan ongeveer zo groot was als ik. O wat had ik daar een hekel aan. Ook jongensbroeken moest ik aandoen. De winkel was mijn moeder haar alles. Soms als het niet zo druk was in de winkel werd ze bezorgd en liep ze ‘naar achter’ waar wij in de kamer zaten of buiten speelden en dan moest een van ons gaan kijken of het bij de Atep ook niet druk was. De Atep was een soort concurrent, haar graadmeter. Haha. Nu moet ik daar erg om lachen. Wij als kinderen werden geacht lelijk tegen de Atep te doen; en dat wilden we niet want we speelden met hun kinderen en we vonden de familie Peeters aardig want aan de overkant verkochten ze heerlijke ijsjes en van Jo, de stamvader Peeters, kregen wij soms een ijsje voor niks als het heel warm was. We kwamen weer door de winkeldeur naar binnen, riepen, ‘er stond geen een fiets buiten’ en gingen weer verder met lezen of spelen. ‘Heb je ook in het gangetje gekeken, riep ze dan, want om de hoek in het Schutstraatje stonden ook wel eens fietsen. We logen dan, ‘ja, daar stond ook niks.’ Wij logen uit gemakzucht. Op zondag was mijn vader thuis. Dat was heerlijk. Ik word nu nog blij wanneer ik ruik dat iemand een sigaar rookt. Ons pap rookte vroeger sigaren, alleen op zondag. Dat was een feestdag. Hij was altijd lief, had altijd goeie zin. Alleen mijn oudste broer heeft wel eens een pak slaag van hem gehad als hij stout was. Wij nooit. Ik denk dat hij dacht dat dat moest, een goede opvoeding. Wie zijn kind liefheeft slaat het, of zoiets, dacht hij waarschijnlijk. Mijn oudste broer, Gerard, was vaak stout. Hij kreeg dan met ‘een rietje’, dat achter het huis in ‘de schop’ lag, een soort kolenschuur. Hij kreeg dan een paar tikken op z’n billen en dan was de straf voorbij. Ze liepen daar samen heen en met het rietje in de ene hand en mijn broer aan de andere liep ons pap dan weer terug naar binnen, de huiskamer in, want daar gebeurde het. Daarna was onze broer weer een paar weken braaf. Op een keer had hij het zo bont gemaakt, op een zondag weer, dat ons pap heel boos werd. Oei, dat werd rietje, dachten we allemaal. Maar het werd geen rietje. Mijn vader zei helemaal niks en negeerde zijn oudste zoon de hele dag. En Gerard drentelde maar om hem heen en keek hem steeds wanhopiger aan. Ons pap keek dwars door hem heen, zàg hem niet eens. Na de middag kon Gerard het niet meer uithouden en met tranen in z’n ogen keek hij ons pap aan en smeekte “mag ik het rietje gaan halen, pap”? Ach ja, mooie herinneringen. Wat zouden ons mam en pap nu van deze coronacrisis gedacht hebben?  Oorlogstijd? Vast niet. Dat was toen veel erger. Maar ik ben blij dat ze dit niet meer mee hoeven maken.