Klein zeer

Het kan niet altijd vrolijk zijn in deze rubriek op pagina 2. Ik heb konijnen hier achter het huis. Heel veel. Ze leven in holen bij mij in de tuin en op het veld van de boer hier naast. Ze kruipen onder de draad en vaak zie ik ze op mijn weitje door het gras rennen en ergens aan knabbelen. Het geluk straalt er van af. Vrolijk en blij huppelen ze over het gras, kijken even naar me, vanachter het glas in de kamer en springen weer verder. Dierenliefhebbers, opgepast, niet verder lezen. Dit wordt ernstig. Ik heb namelijk ook twee honden. ’s Morgens zien ze de konijntjes door het kamerraam in de tuin rennen en beginnen achter in hun keel te grommen. Zacht en dan harder. Dan beginnen ze te piepen, en dan te blaffen. Ze willen naar buiten. Achter die konijnen aan, ze willen ze grijpen, pakken en verscheuren. Dat is de hondenaard. Met alle liefde, uitlaten, koekjes, brokjes, aaien, worm-en tekenkuren, knaagjes, strelen ’s avonds naast je op de bank, krijg je er dat niet uit. Ze willen ze gewoon pakken. Dus ik heb poortjes waardoor ze niet in het konijnenweitje kunnen. Die gaan ’s avonds dicht, zodat ze er de volgende dag als ik ze buiten laat, niet bij kunnen. Ik maak al jaren foto’s van de konijntjes achter het huis,   van die foto’s maak ik schilderijtjes, die verkoop ik zelfs af en toe tot mijn eigen verbazing en ook blijdschap. Alle schilderijtjes zijn van mijn eigen konijnen. Een paar keer per jaar zijn de konijntjes heel klein, dat zijn de nieuwe. Dat zijn de leukste foto’s. Als ik ze van een foto heb geschilderd geef ik ze vaak een naam. Zo is er Cees-Willem, een ondeugd. Toen hij klein was stak hij al z’n tong uit naar de merels in de tuin en maakte obscene gebaren naar de duiven. Ook wist hij een piepklein portemonneetje uit het nestje van een roodborstje te jatten. Maar genoeg hierover. U begrijpt dat ik al mijn dieren erg toegedaan ben. En ik moet voorzichtig zijn met de honden maar u voelt het al aankomen: ik was een keer vergeten de poortjes dicht te doen ‘s avonds; ik zei het al, het kan niet altijd feest zijn. De volgende morgen zette ik nog slaapdronken de achterdeur open, gaapte een keer, het kan zijn dat ik eerst m’n slippers aandeed maar de honden stoven langs me heen en renden grommend en allengs jankend van opwinding naar buiten. Ach, dacht ik, niks aan de hand, poortjes zijn dicht en anders… ze zijn niet snel genoeg, een konijn krijgen ze niet te pakken. Ik kleedde me aan, zette koffie, ontbeet en liet na een half uur de honden weer binnen. Ze waren rustig en opvallend stil. Nog rook ik geen onraad. Totdat ik zelf naar buiten ging en een vreemde vorm op het grasveld zag liggen. Had ik maar niks gezien, was hij maar zonder dat ik het zag, weggerot in vrede. Maar nee, ik zag hem, of hèt eigenlijk, want er was nog maar de helft van over. Het lag met het koppetje op het gras, nog herkenbaar, twee poten, de rest was bloed en darm en orgaan. Ach, mijn arme konijntje. Het was Frederik. Nou was het altijd al niet de snelste, maar zo’n einde wens je niemand. Ik rende naar binnen en schold de honden verrot. Gilde van ellende en afschuw: “Smeerlappen, vieze gore gemene klotebeesten….  De honden zeiden niks, nooit gedaan ook. 

Ik heb het beestje begraven, diep, zodat ze er nooit meer bij konden. Die dag hebben ze geen eten gekregen, al zullen ze wel nooit snappen waarvoor het was. Ach, het zijn maar honden, ze kunnen er niks aan doen, het is hun aard maar eigenlijk was het mijn eigen schuld. Ik huil er nog om.
Reageren? Graag! Dat kan via [email protected]