Brem

U heeft het vast ook al gezien, de brem staat in bloei. Het valt wel op dat het steeds minder vaak te zien is, vroeger stond er veel meer brem langs de weg. Op de schrale zand en leemgronden van Zuid en Oost-Nederland en de binnenduinen komen ze geregeld voor als pioniers in wegbermen en bosranden. Een prachtig gezicht dat mooie geel, de gewone brem (Cyticus scoparius) is de enige echte algemene bremsoort.

De soortnaam scoparius komt van het Latijnse woord scopa wat bezem betekent, de takken van de brem werden vroeger als bezem gebruikt.

Op de vlag van de bloem zit een honingmerk, oranjebruine lijntjes die de bezoekende insecten de weg naar de nectar wijzen. Het is een manier om te zorgen voor bestuiving, want de bloemen bevatten geen nectar. Van de 10 meeldraden zijn er vier langer, de stijl (de stijl is bij de stamper het gedeelte tussen het vruchtbeginsel en de stempel) is opgerold. De bloemen hebben een soort explosiemechanisme en worden bevrucht door hommels. Als deze op de kiel landen splijt de naad van de kiel onder de druk van het insect en springen de tien vergroeide meeldraden tevoorschijn. Ze bepoederen dan het insect met pollen en ook de spiraalvormige stijl komt dan vrij en in een eigenaardige cirkelvormige beweging wrijft de stijl over de rug van het insect. Heeft de hommel al eerder een andere bloem bezocht dan kan het pollen van die bloem zorgen voor bevruchting. Het bovenstandig vruchtbeginsel groeit uit tot een peul met haren op de naden. De peul kleurt later bruin tot zwart en bij warm weer springen de twee peulkleppen knallend en torderend open.

In de volle kleurenpracht stralen de gele struiken al van verre en de prachtige bloemenzee duurt tot in de zomer. 

Foto en tekst Jan de Bruijn.