De taart

Al een hele poos had ik hem naar me zien kijken. Op een zonnig terras in Alba in de Ardèche. Ik had een roseetje voor me en zat alleen aan een tafeltje. Toen ik eenmaal doorhad dat hij naar me aan het kijken was hield ik hem ook in de gaten. Hij leek me niet  ouder dan 23 of zo en wat moest zo’n knul nou van mij, een oude dame. Opeens pakte hij zijn drankje, een biertje, op en kwam naar me toe.

Bonjour, begon hij. U kent me niet hè? Ik zei nee, bij mijn weten niet. Kan ook haast niet, zei hij. De laatste keer dat u me gezien hebt was ik 7 jaar. Ik fronste een komisch bedoeld fronsje van onwetendheid. “Ik zat met mijn petite soeur achter in de auto bij mijn ouders en u stond met een andere dame op het weggetje in de buurt van ons huis”. Ik wist meteen wat hij bedoelde. Jaren geleden had ik eens op een smal bochtig bergweggetje een aanvaring gehad met een boomstronk die in de haakse bocht in het halfdonker van dat weggetje stond. Ik kon niet meer verder met de auto en had aanvankelijk hulp gezocht bij het enige huis aan die weg waarvan ik wist dat er Nederlanders woonden. Zo heb ik trouwens mijn toekomstige vrienden ontmoet. Maar ze was toen alleen, haar man was in Nederland aan het werk alhoewel ze meteen met me meeliep naar de auto blij, bleek later, dat ze een andere vrouw ontmoette die ook Nederlandse was. Zij woonden daar toen nog maar pas. Hij zag aan mijn gezicht dat ik het me herinnerde en begon te glimlachen. Toen we daar zo in het bijna donker stonden als twee hulpeloze vrouwen bij een auto die half over de rand van een afgrond stond, kwam er van de andere kant een auto aangereden, een gezin met 2 kleine kinderen op de achterbank. Man en vrouw stapten meteen uit de auto en bekeken de situatie. Die was penibel. Uiteindelijk nadat de man verschillende pogingen gedaan had om de auto te bevrijden, belde hij de garage in een naburige grote plaats. Het was inmiddels helemaal donker en de vrouw bracht met de auto de kinderen naar huis die in het huis bleken te wonen dat praktisch als enig huis halverwege Valvignères en mijn dorpje stond. De man bleef bij ons wachten. Hij had al lang in de gaten dat wij met ons schamele Frans geen garageman te woord konden staan. Goh, zei ik in het Frans. “Zat jij toen achterin bij je ouders?” Hij knikte, nam een slokje. “Ja,” knikte hij weer, “met mijn zusje, maar wat er de volgende dag gebeurde, dat was fantastisch. Weet u dat nog?” Ik lachte. “Jazeker, dat weet ik nog heel goed”. Uiteindelijk werd de auto weggesleept, een wiel bleek ontzet en de dame, mijn toekomstige vriendin, bracht mij met haar auto naar huis. Toen was het intussen middernacht. Gelukkig had ik toen in die tijd bij mijn huis een derdehands Peugeot 205 staan, met Frans kenteken. Met een muizenfamilie achterin de kofferbak. Maar hij reed wel nog. In die auto reed ik de volgende dag naar ons dorp. De man had de avond ervoor van geen betaling willen weten vond het maar heel gewoon dat hij daar uren bezig was geweest om mij met die auto te helpen. Dus ik reed naar de kleine supermarkt en kocht een fles pastis. Daarna bij de bakker de grootste taart die er in huis was en daarmee reed ik voorzichtig terug via ons kleine dorpje naar hun huis aan het bergweggetje halverwege Valvigneres. Het was zaterdag, ongeveer half elf ’s morgens. Ik klopte aan de keukendeur en stapte hun keuken binnen. Die was als alle Franse keukens met een gekleurde tegelvloer, een grote tafel in het midden, een fornuis aan de kant en een enorme kast waar alles in zat. Alleen de moeder met de twee kinderen waren thuis. Ik zette de fles pastis op tafel en legde uit dat die voor haar man was om hem te bedanken. Maar allee! Dat hoefde toch niet. Jawel, zei ik en zette toen de taart op tafel. Deze is voor u en de kinderen,  zei ik,  De vrouw deed voorzichtig de deksel omhoog en keek. De kinderen snelden toe. Ademloos, ja, echt ademloos, keken ze als betoverd naar de taart. Die had mij een fortuin gekost. Het jongetje raakte hem voorzichtig met een vingertje aan. Toen begonnen ze te dansen. Als gekken dansten de twee kinderen om de tafel toen ze beseften dat die voor hen was. Ach ja, ik lachte weer. “Dat was een mooie taart hè?,” zei ik. “Dat was de eerste taart, die ik ooit gezien heb”, zei hij. “De allereerste. Het leek een wonder, zo mooi. We hebben er dagen van gegeten. Ik weet dat nu nog. En dat was u. Ik heb u nog wel vaker langs zien komen in de loop der jaren, maar nooit gesproken, uiteraard.”  “Jeetje, dat vind ik fijn, alsnog,” zei ik. “Mag ik u dan nu nog une verre de rosé aanbieden als dank voor de mooiste dag in mijn 7 jarige leven?” “Dat mag,” zei ik, en hij bestelde een drankje voor ons beiden en kwam aan mijn tafeltje zitten, zo dicht als corona het toeliet.

Reageren? Graag!  

Dat kan via mail (als dat werkt)

[email protected]