Eten, eten en nog eens eten

Deze column hier gaat zoals de titel al aangaf voornamelijk over voedsel én over mijn jongste kleinzoon en zijn relatie met eten. ‘Het begon al in de auto,’ zei zijn vader, mijn zoon, toen ze nu ongeveer een week geleden bij mij in Frankrijk aankwamen. Hij vertelde toen dat het enige wat zijn jongste zoon van 15 zei,  tijdens die tien uur durende reis was: wat gaan we eten in die weken bij oma, hoe lekker zal het zijn, gaan we ook veel uit eten, bij ons Italiaantje en (huiverend) zouden we misschien ook een keer vies gaan eten? Hij is 15, een echte puber en ik vind hem leuk. Zijn broer die ook mee is, is 17 en die vind ik ook leuk, trouwens, ik heb nog een kleinzoon van 23 die ik hier niet wil vergeten, die is van mijn dochter en die is niet mee, en ook hij is een schat. Oké, maar het gaat nu over onze vreetbeer van 15. Het schijnt dat hij in de auto al voedsel voor een hele dag tot zich had genomen. Zoals gebruikelijk had ik de eerste dag gekookt zodat we bij hun aankomst na de vreugdeborrel nergens meer naar toe hoefden. Macaroni, oneindig veel, ook groentes en een salade en soep vooraf. Kortom, alles erop en eraan. Een paar dagen later deden we met z’n allen boodschappen in de supermarkt. Mondkapjes op natuurlijk en hij mocht ook af en toe wat in het karretje leggen. Pakken choco-ijsjes, een gigapot chocopasta was zijn eenvoudige bijdrage. Thuis werd eerst het kleine koelkastje beneden afgevuld, daarna boven de grotere koelkast in de woon/leefkeuken/kamer. Papa en mama hadden het moeilijk met alle spullen in kasten, rekken en koelkast te krijgen. Want 5-literpakken rosé nemen natuurlijk ook hun plaats in. Een onduidelijk gemompeld zinnetje van zijn vader, verdorie, ik denk niet dat we alles hierin krijgen, werd door onze 15-jarige die in het kamergedeelte naar de Olympische Spelen zat te kijken, toch opgevangen. Behulpzaam klonk het van achter de TV: ‘Moet ik iets opeten?‘ De volgende scene speelde zich af op het terras in ons dorpje waar we ‘s morgens altijd naar toe rijden om aldaar ons ontbijt te nuttigen. Heel vreugdevol, heel relaxed en heel vertrouwd. De ouders en ik gaan alvast aan tafel zitten en bestellen koffie en zo en de twee jongens krijgen geld voor de bakker en komen terug met enorme hoeveelheden, croissants, belegde broodjes, stokbroden, ook voor de rest van de dag, en andere lekkernijen. Een van de keren toen ze terugkwamen hadden ze aan de terrastafel deze discussie: Hee, waar is dat ene belegde stokbrood dat jij op straat hebt laten vallen?’ ‘Dat heb ik in die container daar gegooid.’ De 17-jarige zei dat. ‘Wàt!, Je bent toch wel niet goed wijs! Het had alleen maar even op straat gelegen. Je hebt het toch meteen opgeraapt?’ ‘Ja natuurlijk,’ (17) Ja, maar dan kun je het toch nog opeten, het heeft er maar 3 seconden gelegen!’ (15) Diepe, grote verontwaardiging. ‘Wat ben jij voor iemand, die zomaar stokbrood in de container gooit, ben je niet goed wijs?’ Dat was de 15 jarige weer. Zijn broer, die misschien niet goed wijs is dus, gaat in september studeren. ‘Je bent echt niet goed wijs man, dat je zo’n mooi stokbrood (het stokbrood was inmiddels gepromoveerd naar mooi) zomaar in de container gooit. Dat had ik echt gelust!’ En na enig nadenken: ’Welke container?’ Toen grepen wij in. Nee, je kunt niks uit die gore container halen. Hij mopperde nog wat na: ’Weet je wel, het is wetenschappelijk bewezen dat iets, dat je binnen 5 tellen van de grond opraapt, nog gewoon op kunt eten. Daar is niks mis mee, geen bacteriën, geen virussen, niks, gewoon, normaal eetbaar en jij had het binnen 4 seconden opgeraapt en jij gooit dat weg!’ Nou moet je ophouden, zeiden zijn ouders, het is weg en volgende keer draag jij ze maar, die stokbroden. 

De vrede werd getekend, vooral ook omdat na, 2 croissants, een belegde grote bol en een heel stokbrood, hij toch aardig vol bleek te zitten. Toch deed deze discussie mij erg sympathiek aan. Ik ben ook niet van het eten weggooien. Ik eet alles, bedorven, van de keukenvloer opgeraapt, over de datum. Ik herkende een verwante ziel, terug te voeren tot mijn moeder.

‘Weet je wel, zei ik hem een paar dagen later, ‘dat die megapot chocopasta die jij in de supermarkt hebt meegenomen, in mijn keukenkastje de plaats inneemt van vier grotemensenbekers? Hij glunderde. Volgens mij was hij er trots op.  

Reageren? Graag!  

Dat kan via mail (als dat werkt)

[email protected]