Nieuwjaarsbrieven

Buurmeisje Isolde vroeg of ze haar nieuwjaarsbrief mocht komen voorlezen om te oefenen. Haar mama vergezelde haar: “Ich wou het urst nè mer ze hit mich de oeren van miene kop gezagd. Dus.” Rosette, mijn vrouw, plantte me in de canapé en posteerde zichzelf naast me. Isolde glunderde: “Liefste mee…, oo…, pee…, euh… Liefste buren.”

Mijn gedachten dwaalden naar mijn eigen kindertijd. Ik haatte nieuwjaarsbrieven! Ik zie nog de inktpot staan; de splitpen en het roze vloeipapier nog liggen. Ik, linkshandig, moest rechts schrijven van ‘’t Roewd, indertiejd de juffrow van ’t urste studiejoar oppe jongesschoowl in Hamut’. Met alle gevolgen van dien: hanenpoten, krabbels, kladden, verwijten, tranen! Het geschrift van bijna alle beginnende schrijvertjes liep op het ongelijnd nieuwjaarsbriefpapier enthousiast naar boven toe. Het mijne naar beneden… 

De buik vooruit – nu trek ik hem liever in, maar dat lukt allengs minder en minder – stond ik naast het kerststalletje. Nee, niet als engel, maar als herder zonder schaap, of, godbetert, als schaap zonder herder. Kleverig van het hars prikten en plakten sparrennaalden in mijn nek. Met mijn hakken, knieën en billen tegen elkaar maakte ik een buiging alsof mijn meter, tante Cecile, de hertogin van Bouillon was. Zo rook ze ook. Naar soep. Met Nieuwjaar, naar bouillonsoep met balletjes: “No mottebul, joa!” Na diep in- en uitademen startte ik stotterend: “A,a,aller liefste mmmmeter…” Liefst hield ik het zo kort mogelijk. Zo van je-weet-wel: “Liefste meter, hoe meer je geeft hoe beter!” Maar de onverbiddelijke blikken van de familiale jury weerhielden me van balorigheid. Hakkelend worstelde ik naar de verlossende laatste zin, in ijltempo: “Zalig Nieuwjaar wenst u uw dankbaar Harrieke,” om met een snelle knik de frontlinie te verlaten. Maar pas dan kwam het ergste: niet zozeer de meewarige deliberatie van mijn schoonschriftkunstwerk, maar vooral die vreselijk vleselijke plichtplegingen achteraf. Heel de familie moest worden gekust en wilde kussen. Niet één, niet twee, maar drie keer! Je zou zowaar nog hunkeren naar ‘covid-toestanden’… Daarbij, tante Cecile kuste niet, tante Cecile smakte, versmachte! Met: “Kom ’s hiej bi mich mie menneken,” klemde ze mijn hoofd tussen haar handen en plantte het in de voor tussen haar enorme bumpers. Dan bedolf ze mijn wangen onder haar gigantische, volle, helrood gestifte lippen, gedrenkt in stroperige Advocaat en overactieve speekselklieren. 

Mijn vrouw trok me uit mijn dagmerrie, terug naar 2021, toen ze uit mijn achterbroekzak mijn portefeuille frutselde om Isolde met vijf euro te bedanken voor haar wensen. “Goe gedoan, meid,” prees Rosetteen kuste haar. Ik? Ik kuste de mama, drie keer…, per (on)geluk… 

(Harrie Beks – Hamont, zaterdag 25.12.2021)