Rammelen

Tot mijn 70-ste kweekte ik konijnen. Panklaar voor onszelf of – op aanvraag – voor buren, familieleden, kennissen, collega’s. Zelfs gewaardeerd als verjaardags- of relatiegeschenk: “Unne kenien van (ozzen) Harrie, hm…, lekker!” Enkele kleinzonen wilden in hun kindertijd ook konijnen fokken. Maar, niet om op te eten! Beschaving evolueert. Dwergkonijntjes dus. Trouwens, wie vertedert niet bij een moertje met een nest lampreitjes? 

De aanschaf van minstens één konijn en een hok, de dagelijkse zorg voor vers water en voeder (‘gruun voer en stupkes’), het uitmesten, pech door mogelijke ziektes of sterfte brachten de jongens niet van hun voornemen. Zelfs mijn orakelen “As ge kenien hed, hedde och keutels” demotiveerde hen niet!Eerst spendeerde Door zijn kermiscentjes aan een bruin hangoortje. Maar na een week lag het beestje kapot – volgens Door: dood – in zijn hok. Hij begroef zijn Nijntje in een ritueel van snikken en zacht gestrooide aarde. ’t Kreeg zelfs een takkenkruisje op zijn grafje. Snuffel, een wit dwergkonijntje met zwarte vlekjes, verlichtte zijn verdriet. Daarbij, van zijn papa mocht hij kweken met zijn nieuwe moertje! Buurman Rik had een dwergrammelaar. Pas na vier dagen lukte zijn roffelend gerammel. En ja hoor, een maandje later lagen er drie poedelnaakte Snuffeltjes in een wolk van dons. Na zijn staat van extase vroeg Door een ietsiepietsie teleurgesteld: “Peeke, waarom heeft Snuffel maar drie jongskes? Jouw moeren hebben er altijd veel meer.” Mijn kleinkinderen noemen mij, op eigen verzoek, niet ‘opa’ of ‘b(r)ompa’ of ‘grotvoader’ maar ‘peeke’. “Wèl jungsken, dè ’s de natuur,” ontweek ik nietszeggend. “De wurrep van ‘n dwergkenientje is klènner dan de wurrep van ’n  slachtkenein. Zoe seempel is ‘t.” 

Succes besmet. Nu wou ook Driek een dwergkonijntje met een kweekprogramma. Riks rammelaartje kwam weer op seksweekend. Maar het spichtige moertje van Driek wees hem agressief af. Op zoek naar een ander rammetje – wat doen grootouders zoal niet voor hun nageslacht – kwam ik toevallig terecht bij Jan en Elsie, goeie kennissen. Maar… “Is ’t kloewetes mè mie rammeleirke?” vroeg Jan. “Hij viejl erbij in sloap,” sloot ik ‘n langer verhaal korter af. “Zoe kin ich er nog ènne,” gniffelde Elsie naar haar Jan. Ik repliceerde: “Jommer, Elsie, ik haaw het ovver unne kenien, hè…, nè ovver unnen hoas…!” Grijnzend gaf Jan me een ander minirammelaar mee. Een weekje kreeg hij om kennis te maken, om te foefelen, om in rondjes rond te jagen, om hopelijk uiteindelijk te rammelen. 

En toen…? Zo’n 28 dagen wachten en dan rammelen van nieuwsgierigheid…!

foto pixabay

(Harrie Beks – Hamont, zaterdag 22.01.22)