Van regen en sneeuw naar Franse warmte

Tekst en foto’s: Evert Meijs

In Longchamps word ik uitvoerig uitgezwaaid. Het regent, maar dat deert niet. Een fikse route vandaag via Namen naar Anhée. Achteraf blijken het maar liefst 38 kilometers te zijn. Onderweg reiken de eerste rotswanden tot in de hemel en is de Maas mijn gids. Mooie landschappen, bijzondere woningen aan het water en vooral veel oude caravans. Voor het eerst doe ik mijn gamassen om mijn benen. Door de beenkappen blijven benen en voeten droog. Ook het regenwater van mijn poncho loopt nu mooi langs de gamassen af. Om vijf uur opent gastheer Jacques in Anhée de deur en laat me binnen. Hij regelt al meteen dat ik 2 x ga slapen in Niverlée.

In de badkamer hangt een briefje dat de handwas in de droogtrommel kan. Daar maak ik graag gebruik van. Je ziet onmiddellijk dat Jacques de camino ook heeft gelopen: schelpen, een wandelstok en een Santiagodiploma aan de muur.

Mijn wandelroute is ook te volgen via Polarsteps, die zegt dat ik nu 202 km heb gelopen. Mijn eigen telefoon geeft aan dat ik 173 km afgelegd heb. Wie het weet mag het zeggen.. ik houd mijn eigen telefoon-waarneming  maar aan.  Na een mooie ‘tampon’ (stempel) in mijn Credential, loop ik de volgende dag naar Hastière, waar Marcus uit Niverlée mij met de auto oppikt voor de nacht. Maar ik ben mijn gamassen verloren en weet een winkel in Givet die ze verkoopt! Marcus zet onmiddellijk koers naar de Franse stad en in no time heb ik nieuwe. Na deze fike omweg alsnog naar zijn woning in Niverlée, een dorpje van 79 inwoners. “Iedereen is hier op zichzelf aangewezen, want er is geen enkele winkel. Ze kunnen hier de kost niet verdienen”, aldus Marcus. Een grote houtkachel staat de snorren, want het is koud geworden. Hij vertelt over de getijdemolen van Rupelmonde en over zijn grootvader die ook molenaar was. Ik slaap boven de garage en de vlizotrap is een uitdaging om te beklimmen, met de zware rugzak. Voor de nacht heb ik gelukkig een koplampje bij me, om enigszins veilig naar toilet te kunnen. Tegen negen uur komt partner Miriam thuis van familiebezoek. Na de zesde overnachting brengt Marcus me terug naar Hastière, zodat ik deze dag de voettocht naar Niverlee kan maken zonder rugzak. Een verademing. Op het einde van dag zeven zo’n tweehonderd kilometer gemarcheerd. Geen wonder dat ik de volgende ochtend voor het eerst pas van de wekker wakker word.

Het is opnieuw koud, het regent en later die dag weer sneeuw. De planning zijn 38 km, de Franse grens over, naar Rocroi. Gedeeltelijk door het bos, maar ook een stuk over de harde weg, om een beetje op te schieten na alle modder en waterplassen. De rijksgrens ligt op 320 meter hoogte. Hier geen grenspalen zoals tussen Valkenswaard en Lommel! De plaatsnaamborden en de straatnaamborden zijn meteen weer anders, net als de kentekens van de auto’s. Er staan bovengrondse kranen  voor de brandweer. Het gasthuis in Rocroi maakt een onrustige indruk. Buiten allerlei rommel, binnen een overdreven verzameling van snuisterijen als beeldjes, doekjes, schilderijen, posters enz.  Zoon Matthieu wijst me de weg. Zijn moeder vraagt al meteen om mijn credential, alsof ze niet vertrouwt dat ik een echte pelgrim ben. Ik slaap twee verdiepingen hoger en ook hier heeft de fantasie van de inrichting de vrije loop gehad. Zo erg, dat ik besluit me niet te douchen en niet te wassen.

Het avondeten vindt plaats in een tent, eveneens vol met prullaria. De sneeuw dwarrelt neer en even later schuift een Belgisch koppel aan. Zij is van Italië en heeft het temperament meegebracht. Ze praat heel druk en gebaart met handen en voeten. Hij is de rust zelve, maar heeft ook weinig keus. Mijn Frans wordt danig op de proef gesteld als gastvrouw Christiane en haar zoon beginnen te praten tegen het koppel. Ook tijdens het ontbijt moet ik alle zeilen bijzetten om iets te kunnen volgen. Dan komen de credentials weer tevoorschijn en blijkt de gastvrouw er een waar kunstwerkje in getekend te hebben, gekleurd en wel! 

Het vriest, en weer dwarrelen sneeuwvlokken naar beneden als ik afscheid neem. De pelgrimsroute Via Monastica verandert nu in Via Campaniensis. Gelukkig zijn de route-aanduidingen nu prima en stap ik ontspannen weer op weg, richting Aubigny les Pothees, waar de dochter van Christiane, Justine, ook een pelgrimopvangplaats heeft. De sleutel heeft ze buiten onder de mat gelegd, zegt Christiane. Eenmaal daar lopen twee mannen uit Westmalle langs me en vragen of ik in mijn nieuwe onderkomen misschien bier in de koelkast heb. Ik verzeker ze dat dat niet het geval is, en wat mompelend lopen ze verder.

Ondanks dat de zon voor het eerst heerlijk is gaan schijnen is het koud binnen. In de grote open kamer staat een tafeltje met 4 stoelen, verder niks. Ik neem een heerlijke douche terwijl de mazoutketel bulderend zijn werk doet. Als het Brussels echtpaar Angela en Arielle Vandersteen ook arriveert, schijnt de cv-ketel het voor gezien te houden. Warm water is er niet meer en douchen is voor hen uit den boze. Het wordt binnen nog kouder.

Dan verschijnen Christiana, haar zoon Matthieu en dochter Justin. Ze sjouwen tafels en stoelen binnen, zodat we comfortabel kunnen zitten. Justine maakt een avondmaal klaar met behulp van de magnetron, en het worden enkele aangename uren. We zingen als drie gasten zelfs het pelgrimslied van Santiago: Ultreia. De cv-monteur heeft gezegd niet te komen opdagen, dus dan maar vroeg en diep onder de wol.

Dag tien is Palmzondag. Het vriest, is mistig, maar droog. Het belooft een mooie dag te worden. Ik geniet van het besluit om deze pelgrimstocht te zijn gaan ondernemen. Voor het eerst in mijn leven passeer ik een pizza-automaat. Koude pizza in 3 seconden, warme pizza in 3 minuten, zo staat te lezen. 

Via Lalobbel arriveer ik in een prachtige gîte in Justin- Herbigny, waar Alain me wegwijs maakt in een aparte ruimte in een grote oude schuur. “In de eerste wereldoorlog woonden hier Russen, die op het land moesten werken en wegen moesten aanleggen voor de Duitsers”, zegt hij, en laat intussen talloze oude gereedschappen zien van het boerenleven in deze streek. Het heeft alles weg van een landbouwmuseum. Het eten bestaat uit vier worstjes in linzensaus uit blik en als ik `s avond enkele blokjes meegenomen kaas en wat cashewnoten op heb, is het weer mooi geweest. Morgen gezond weer op om aan dag 11 te beginnen, na 304 kilometer afgelegd te hebben. De tocht gaat verder, richting Bazancourt. “Ga vooral eerst langs Chateau Porchien, want verder kun je hier in de streek niks kopen. Het is niet zoals in Holland!” drukt hij me op het hart.

Onderweg in Avançon biedt een mevrouw spontaan koffie aan, met tomaatjes. Fantastisch, al die goede mensen onderweg! In een voormalig jachthuis spendeer ik de avond in een gezin en morgen ga ik via de kathedraal van Reims naar de Clarissen voor diner en overnachting.

Graag tot deel vier, komende week!