Verslag voetreis naar Santiago door Evert Meijs – Deel V

Belangrijk onderdeel in mijn 13-kilo-wegende rugzak is de afdeling lichamelijke verzorging. Daarvan heb tot nu toe (na 25 dagen onderweg) nauwelijks iets hoeven gebruiken. Vorige week twee dagen tijdens het lopen een plukje wandelwol onder mijn kleine teen gelegd omdat die wat rood was. Door de veters ook nog wat anders te strikken werd de kleur weer normaal. Blarenpriknaald en blarenpleisters niet gebruikt, evenmin als gewone pleisters, gelukkig. Eigen toiletpapier zit nog op een rolletje en de haarkam zit nog steeds onderin. Douchegèl is wel aangesproken, voor mezelf en voor mijn kleren. Het doosje met Paracetamol is platgedrukt tussen alle bagage, maar nog niet nodig geweest. Me scheren doe ik niet, want het scheerapparaat met de lader vond ik te zwaar om mee te nemen. Dus een baard.. Tenslotte verzorg ik elke avond mijn voeten met de wondercrême van Médard uit Lille.

Deze vierde wandelweek op weg naar Santiago begint richting Chablis, op 19 april. De wijnvelden zijn voor mij hier hetzelfde als in de Champagnestreek. Ook veel bedrijvigheid. De plaats Chablis is best groot en ik kan er weer brood kopen, worst, fruit en een flesje cola. Slapen gebeurt in een parochiehuis, waar om 16.00 u net een mis is begonnen voor ouderen. Vlak vóór stad en pelgrimknooppunt Vézelay ben ik welkom bij een Nederlandse dame, in Accolay, waar ook honden, ezels en paarden welkom zijn. Gastvrouw Petra kent Liempde, Boxtel en Valkenswaard, waar ze ooit woonde! Er worden oude koeien uit de sloot gehaald. Een geweldig adres, waar je slaapt in een mooie yogaruimte. Petra vertelt dat het overnachtingstarief een ‘donativo’ is, een gift. “Ik moet nog wel leren om het te accepteren als gasten bij vertrek € 5,00 neertellen voor koffie, avondeten, douche, slapen en ontbijt. Het mág natuurlijk, maar de verhouding is dan wel helemaal weg.”  Als je een donativo vraagt, zijn er volgens Petra géén regels betreffende verzekering, belasting enz. 

Vézelay
De eenentwintigste pelgrimsdag, op 21 april, ga ik naar Vézelay, waarvan men zegt dat het spiritueel de belangrijkste halteplaats van de bedevaartstocht is. Het is voor de zoveelste dag prachtig weer en de wandeltocht verloopt prima. Als heel in de verte een grote kerk opdoemt, bovenop een berg, ga ik ervan uit dat dit Vézelay is en schat in hoe lang het nog lopen is. Maar dat valt zwaar tegen. In plaats van recht op de basiliek af te lopen, moet je helemaal om de berg heen en benader je deze middeleeuwse bedevaartplaats van de achterzijde. Een zeer steile steeg voert je naar boven, alsof je op Mont Saint-Michel bent. Ik verwacht bovendien een stad aan te treffen als Reims of Troyes, maat niets is minder waar! Een piepklein oud dorpje is het, met wat exclusieve winkeltjes, slechts ‘n enkele bakker en geen supermarkt. Op de top van de berg wel de enorme Sainte-Marie-Madeleinebasiliek, die als abdijkerk op de werelderfgoedlijst staat. 

Vlakbij de kerk is een opvangplek voor zo’n twintig pelgrims. Als ik me heb ingeschreven en mijn bed heb opgemaakt, ga ik de kerk bezoeken, maar eerst hoort een oud nonnetje mij praten en ze komt naar me toe. “Ik ben Vlaamse, woonde eerst in Brussel en nu hier”, zegt ze met kleine pretoogjes. Even later zingen we samen, staande op de binnenplaats, ‘Zie ik de lichtjes van de Schelde’, van Bobbejaan Schoepen. In de crypte onder het hoofdaltaar van de kerk sta ik plots tegenover gebeente van de heilige Maria Magdalena. Ook een man uit Mariahout wordt er stil van. Hem zal ik nog vaker ontmoeten.

Als om 18.00 u in de grote kerk de vespers beginnen, komen drie broeders binnen en zes zusters. De meeste gebeden worden meerstemmig gezongen en dat levert kippenvel op. De volgende ochtend is de dienst om zeven uur en worden aansluitend alle pelgrims naar voren geroepen voor de pelgrimszegen. Een indrukwekkend moment, voor alle twaalf pelgrims uit allerlei landen. We krijgen een prentje en een medaille. 

Hierna gaat de reis weer voort en splitst de camino zich ofwel richting Bourge of richting Nevers, om enkele dagen later weer samen te komen. Ik heb voor Nevers gekozen, maar kom er na 27 km achter dat ik op de foute route zit en minimaal vier uur nodig heb om weer op de juiste weg te komen! Ik moet wel, want op de Nevers-route heb ik een overnachting geboekt. Rond zes uur belt de gastvrouw of hospitalero hoe het met me gaat en waar ik ben. Ik zet dóór ondanks de grote omweg en na ruim 47 km stap ik binnen in L’Esprit du Chemin, van Huberta en Arno, waar acht Nederlanders en een Duitser geduldig op me zitten te wachten, voor het avondeten. Ik krijg zelfs nog gelegenheid om me eerst te douchen.

In Le Chemin is alles goed geregeld, mede door allerlei vrijwilligers. Er staat zelfs een centrifuge voor je kleren, en ‘s avonds wordt het droogrek binnen gezet bij de behaaglijke houtkachel, waar je gerust een blok hout in mag gooien als je wilt. Het avondeten lijkt een reünie van oude bekenden.

Harmonium
Wat een verschil met Saint-Révérien, waar ik de volgende nacht in een groot en voormalig postkantoor slaap. Een pelgrim uit Amsterdam heeft er ook een plek. We betalen p.p. € 12,25 voor de overnachting, die voor mevrouw Mavi minder goed verloopt: ‘s nachts kruipt minstens één muis in haar rugzak en doet zich te goed aan de macaroni. 

In de kerk op het plein bespeel ik het trapharmonium en het oude beestje laat zich nog goed horen, zeker nu de kerk leeg is. Het harmonium in de St.-Etienne-kerk  in de stad Nevers kan ik op 25 april ook niet dicht laten en het doet me goed om er bij te zingen. Dit vijfde verslag eindigt op een piepklein maar prima kamertje in het nonnenklooster van Nevers, aan de oevers van de Loire. Voor het eerst ga ik zelf spaghetti maken. Alle kleren hangen intussen te drogen…

 Na 25 dagen is de gemiddelde afstand per dag 30,00 km en heb ik precies 750,1 km afgelegd.

Graag tot deel zes, komende week!