Jèttjen

Haar echtgenoot noemt haar overal en altijd voluit: “Harriët”. Aanverwanten, kennissen, buren en vrienden laten niet haar, maar ‘Har’ vallen en houden het kortaf bij ‘Jèt’ of bij het gemoedelijkere ‘Jèttjen’. Henriette, in jaren ruim voorbij de vijftig, is groot, recht, struis, monumentaal. In haar statische standaardhouding, haar handen in haar zijen, komt deze blok ‘Rubensbarok’ nog imposanter over. Daarom noem ík haar consequent: ‘Jèt’!

Onstuitbaar ontwikkelde zij de niet altijd zo aangename gewoonte om tijdens een gesprek haar gesprekspartner fysiek almaar dichter te benaderen. Daarom onderhoud ik – nogal klein van stuk – met Jèt slechts fragmentarische dialoogjes. Eén verdwaalde nachtmerrie met naast me een levende ladenkast lijkt me als neurotische trigger genoeg! Met haar piepstemmetje krijgt dit vrouwmens ook iets hilarisch tot kolderiek over zich. Als typetje zou ze zeker schitteren in een commedia dell’arte. Van inborst is Jèttjen wel een ingoed mens: hulpvaardig met een flinke dosis empathie, betrouwbaar, zuinig maar toch gul, goedlachs en emotioneel (over)gevoelig. Die deugden schaduwen maar in èèn gebrek: impulsief als ze is, spuit ze overal over alles en nog wat haar eigen kritische mening.

Zo zag en hoorde ik Henriette laatst bezig in een warenhuis. Achter haar groeide de rij klanten terwijl zij druk gebarend piepte tegen de kassajuffrouw: “Zuute appelsienen volleges de reklaam en zonder pitten. Zuut? Zoewr joa, wie knoersels! En èllef pitten holde ich oet ‘n hallef appelsien en dan hem ich ‘r nog èttellukken doowrgeslikt.” Om haar protest en haar gelijk aanschouwelijk voor te stellen vouwde zij haar zakdoek open. Elf pitten op een hoopje! De winkeljuffrouw probeerde te sussen: “Jèttjen, dê doowrslikken kan gè kô. Wa dor de roeper gèt, gèt ummes och dor de poeper.” Maar Jèt had nog een reclamatie in petto “En nou dê ich toch bezig bin, op den umslaag van dees lat sjokloat stut dê ze twiejehonderd vievenvèrtig gram wugt, des hust twieje en ’n halleve kilo.” Enkele wachtende klanten trokken monkelend een wiskundige wenkbrauw op. Maar Henriette sakkerde onverstoorbaar door op haar elan: “Hiej, kiek mê. Mer ‘t stuksken wugt ochêêrumkes viefenvèrtig grammen, des zoe mer èfkes twieje kilo minder. Tweeje! Nou gi!” Verveeld zuchtte de kassière: “Sèg Jèt, kiekt ’s te goei. Wa stut ‘r onder die twiejehonderd vievenvèrtig…? Juust, kalorieën…!” Jèttjen las en herlas. Ze haperde een toontje lager: “Mêêr joa…,  uhhh…, nou hem ich aal die meensen hiej zoe lang vur niks loate waachten. Doeme, doeme…, toach.” 

Snel borg ze met haar waren ook haar klachten op, betaalde en vertrok met een: “Sorry, sorry. Haddug en uhhhm…, tot nog ‘s…!” 

(Harrie Beks – Hamont, zaterdag 30.04.22)