Onderweg naar Compostela: deel 8

Het is vandaag maandag 16 mei en ik zit acht kilometer voorbij de plaats La Réole in het departement Gironde, zo’n zestig km. schuin onder Bordeaux. Ik heb nu 1310 km. afgelegd over 46 dagen, met een gemiddelde afstand van 28 km per dag. Hoe ver het nog te gaan is, is lastig te zeggen, maar ik schat nog ongeveer 1100 km,  tot Santiago de Compostela. De route is over het algemeen goed aangegeven met blauw-gele bordjes en soms met de schelpen in het trottoir. Als het nodig is kijk ik even op de route-app van het Genootschap van St.-Jacob en is meteen duidelijk welke richting de juiste is. Ondanks alles heb ik toch wel enkele keren anders gelopen dan de pelgrimsroute aangeeft.

Door Evert Meijs 

Deze week zijn mijn schoenen met succes omgewisseld. Het reservepaar is aangekomen in het chauffeurs-restaurant en -hotel l’Escale in Sanilhac, met de bus een kwartiertje vanaf de stad Périgueux. Trudy had in de schoenen nog heerlijke koeken verstopt en een flesje ‘gembershot’. Lekker. Na de chauffeursmaaltijd en een goed bed babbel ik tijdens het ontbijt gezellig met een chauffeur uit Grenoble, getooid met zo’n prachtige Franse baret. Hierna met de bus terug naar het PTT-hoofdkantoor in de stad om het versleten schoeisel terug te sturen naar de winkel in Hapert, voor de (gratis) reparatie. Daarna begint de voettocht weer, want dáár is het toch allemaal om te doen. Met andere schoenen: dezelfde maat en hetzelfde merk, al in februari ingelopen.

Onderweg naar de volgende slaapplaats eet ik in een verlaten stationnetje wat stokbrood uit het vuistje en snijd ik met mijn rode zakmes flink langs een stuk Emmentaler. De kaas voelt nog steeds koel aan, ondanks de 25 graden die buiten gemeten wordt. Aan de spoorrails staat open en bloot een aantal handles om de wissels te verzetten. Wonderlijk dat die voor iedereen voor het grijpen staan. Het is hier schitterend, met de rivier de Vienne als decor. Ik bof maar!!

Tegenover de kerk in Flavignac is een gemeentewoning speciaal voor pelgrims ingericht. Er komt een man aangereden met een fluoriserende broek aan, schijnbaar recht van zijn werk. Hij opent de deur van de refuge en roept me binnen. Heerlijk! Weer een stoel onder mijn billen. “Fijn, een vrijwilliger die zich beschikbaar stelt voor de pelgrims.”, zeg ik. “Nee nee,” antwoordt hij, “ik ben de locoburgemeester!” Even later komen ook Anna uit Den Haag en Jean-Paul uit Orléans.  De locoburgemeester heeft zijn werk gedaan en zegt nog dat om vijf uur het café opent. Zou het van hém zijn? We leggen alle drie wat eten op tafel en even later is er als hoofdgerecht macaroni met groenten en natuurlijk stokbrood. Nadien zing ik in de kerk het Ave Maria en bekijk de kerkschatten die achter in het gebedshuis in enkele vitrines staan. 

Hospitalero Dominique van het pelgrimshuis in de plaats La Coquille is ‘s anderendaags al met het avondeten bezig als ik rond drie uur arriveer. Het blijft indrukwekkend om te zien hoe hij en zijn collega’s zich 24 uur per dag inzetten voor de wandelaars en de bedevaartgangers bijstaan met raad en daad. Bovendien stellen ze je steeds weer op je gemak en doen ze er alles aan om sfeer te brengen in de Refuge de Pèlerins. Samen met twee inmiddels bekende pelgrims wordt de maaltijd gebruikt en daarna blijkt de was al droog te zijn: geen centrifuge nodig! Onderweg hierheen trouwens zie ik voor het eerst een richtingaanwijzer met de melding Espagne via Toulouse.

Bij een bord Huile de Noix € 16 vraag ik me af of hier de notenolie € 16 per liter kost, per kilo of anderszins, omdat we die op de Napoleonsmolen in Hamont ook maken. Ik bel aan bij de poort en nadat een grote witte hond me eerst heeft gescreend, komt de ‘patron’ in blote bast naar het hek en vertelt over de literprijs. 

“Daar ginds staat een industriële molen, waar eerst de coquille, de bast, wordt verwijderd en daarna de noten met stroomkracht onder stenen worden geperst. Maar de eigenaresse heeft kanker en alles ligt daardoor stil.”  Hij laat trots een foto zien van een Nederlandse vrachtauto die hij in het verleden nog eens gerepareerd heeft. Zijn verhalen zijn boeiend, maar ik moet weer verder, naar de plaats Sorges, en ik weet nog niet wat ik onderweg allemaal nog tegenkom.

De stammen van wat aparte boompjes in een boomgaard zijn witgeschilderd. “Het zijn perzikboompjes en de witte verf dient om ze tegen insecten te beschermen”, aldus een behulpzame dame. Hier is duidelijk weer wat meer agrarische activiteit. Boeren en tuinders rijden in een

Jumpy, een Berlingo, ‘n Kangoo of in een Partner. Ook toeren ze in het type Tourneo, Combo, Doblo Maxi, of C15D om hun spullen te vervoeren.

Eenmaal in Sorges, vind ik de Refuge Pèlerin naast gemeentehuis en kerk. Een geweldige A-locatie. Philippe en zijn vrouw Francoise hebben deze week ‘dienst’. Weer een bijzonder paar, dat opgewekt en vakkundig zes gasten ontvangt, inschrijft, financiën regelt, wegwijs maakt, de wasmachine bedient, de stempel zet, het avondeten voor 8 personen voorbereidt en ook nog een gezellig praatje maakt met iedereen. Bij het ontbijt maak ik toch maar weer een foto van die wonderlijke schalen (bolles) waar we opnieuw koffie uit drinken. Na afloop hef ik het pelgrimslied ‘Ultreia’ aan en Francoise zoekt op internet een versie met muzikale ondersteuning, voor de volgende dagen.

St.-Astier is een plaats met een echt kasteel: Château Puyferrat, van Mme en Mr Marzat. Alles wat je bedenkt bij een kasteel is er. Heel groot, heel hoog, spitse torens, houten vloeren, brede trappen, wat donker meestal, een keuken met heel veel pannen aan de muur en een eetzaal met een twintigpersoons tafel. Daar wandel ik binnen en ben ‘n halve etmaal geen pelgrim maar kasteelheer. Er is op mijn slaapkamer nog zeker voor zes andere bedden plek als het moet. “Omdat St.Astier voldoende winkels en restaurants  heeft, wordt geen avondeten en ontbijt klaargemaakt; dat moet je zelf doen”, zegt meneer Marzat, die blij is met overheidssteun en pelgrimdonaties voor het onderhoud.

Een groot verschil met Sourzac, waar mevr. Mougnaud je bij de kerk oppikt met de auto en in sneltreinvaart het stadje laat zien. Ze schuwt trottoirbanden niet, rijdt 50 in de eerste versnelling en stopt als het háár uitkomt. Ze brengt de vermoeide pelgrim naar een kleine woning in de achtertuin en belooft een lekkere maaltijd te maken, een ontbijt en zelfs een lunch voor de volgende dag. Ik mag daarvoor € 35 betalen, en dat is inclusief koffie, thee, douche, toilet, slaapkamer en de volgende ochtend nóg een autoritje naar de boulanger voor stokbrood en weer terug naar de kerk, voor het eigenlijk voetenwerk , wat deze 43ste dag toch weer staat te wachten. Komende week passeer ik de vijftigste van de honderd geplande dagen.

Graag tot deel 9 komende week! 

Door Evert Meijs