Onderweg naar Compostela: deel 9

De meeste tijd van mijn pelgrimage voert me door de natuur. Nou ben ik geen kenner en heb ook niet het idee dat ik tijdens het lopen ‘bijleer’. Wat ik zie, kende ik meestal wel: de varens die kaarsrecht omhoog groeien, de gerst die nog groen is, de maïs die op begint te komen en de boterbloem, de klaproos en de brandnetel. Maar als ik een dode das in de berm zie liggen, zoek ik even op of het er wel één is. Twee dode wolven kan ik beter herkennen, net als de talrijke hagedisjes die van schrik weer tussen de struiken verdwijnen. Een slang van bijna ‘n meter is wat minder aangenaam, maar daar tegenover is een schaapskudde met zingende herderin dan weer een bonus! Een dode egel en een aangereden kat kunnen er nog wel bij.

Door Evert Meijs 

17 mei is de dag dat gastheer Michel, voorzitter van de jagersvereniging, al vroeg op pad is omdat vandaag de wijn voor ‘n heel jaar onder de jagers wordt verdeeld. Ook jachtvlees krijgt zijn bestemming in het dorpje Pondaurat. Ik help zijn slechtziende vrouw Nicole met het juist instellen van de wasmachine voor het beddengoed en de stad Bazas wordt de volgende plaats van bestemming. “Kijk goed naar de prachtige ramen in de kerk”, zegt Nicole en showt op het laatst nog gauw enkele zwaluwnesten onder de dakrand. 

Niet eerder heb ik zo’n middeleeuwse stadskern gezien als in Bazas. Zeer oude woningen, kerk en plein in het midden en zeer smalle straatjes er omheen. Een traktatie. Onder de togen van de markthal zijn exposities over de smederij en de kuiperij. Ik ben vanaf vier uur te gast bij Nadège en Jules, die voor nood graag pelgrims opnemen. De gastheer speelt na het avondeten even gitaar. “Neem deze radijsjes mee voor onderweg, lekker fris!” zegt Nadège de volgende ochtend en even later stap ik op en maak bij het voormalige paleis van Justitie kennis met twee Belgen uit Retie en Oud-Turnhout, die er behoorlijk de pas in hebben. 

Verkeerde been

Voor de slaapplek in Billon moet ik uren lang over een oude spoorbaan, die knap begint te vervelen. Het doet me denken aan de spoorbanen of ravels in Achel en in Valkenswaard. Ik ben wát blij als ik de volgende dag, 19 mei, in Café de la Paix in Roquefort de sleutel mag halen voor de refuge. ‘s-Avonds stap ik een winkel binnen en zeg: “En nu zou ik heel graag een stukje Roquefort-kaas proeven.” De winkelier begint te lachen en zegt: “Dan bent u in het verkeerde Roquefort, want hier wordt geen kaas gemaakt. Er zijn drie plaatsen in ons land die zo heten.” Ik ben verbaasd. Mezelf op het verkeerde been gezet, dus. Bij Coiffure Anna heb ik meer succes; morgenochtend kan ik er om 09.00 u terecht om mijn haren kort te laten scheren, net als mijn baard. Niet langer als een clochard, maar lekker fris.

Na de knipbeurt stap ik verder naar Mont de Marsan.  Een flinke stad met nog een oud badhuis. En dat wordt mijn onderkomen deze nacht. De Franse Philippe is ook weer van de partij, net als de twee mannen uit Oud-Turnhout en Retie. “Gooi je was maar bij de onze, dan draai ik een machine.”, zegt één van hen als ik binnen stap. Heel aardig, je moet er maar aan denken! Philippe komt later terug van boodschappen doen en schudt voor algemeen gebruik een grote zak chips in een schaal. “Om het zoutgehalte weer wat op te krikken”, zegt hij.

Dan arriveert Paul, uit Spanje, waterfles in de hand, op weg van Parijs naar Roncevaux.  Iedereen doet zijn dingetje. De hospitalero komt poolshoogte nemen, zet stempels en beantwoordt praktische vragen. Zo adviseert mij me te gaan eten in een pub. “Op het plein ginds, the Green Oak. Ikzelf woon er naast.” Zo gezegd, zo gedaan, maar de teleurstelling voor mijn knorrende maag is groot: 19.30 u begint de chef-kok pas te werken. Wederom op het verkeerde been gezet. Dan maar elders iets gegeten.

Terug in de refuge vertellen de twee Belgen dat ze hun tent, slaapzak, overdosis kleren en nog wat rommel hebben teruggestuurd naar huis.

Om 21.00 u wordt het stil in het badhuis en begin ik te prakkiseren of dat terugsturen voor mij ook een optie zou kunnen zijn.

Als Philippe de volgende ochtend zijn voeten verzorgt, adviseert mij me om tent én slaapzak terug te sturen. Paul vindt, nadat hij de laatste haartjes in het gat van zijn baseballcap heeft gladgestreken, dat de slaapzak in de Pyreneeën nog nodig kan zijn, en ook de hospitalero die ik bel, vindt dat de slaapzak niet teruggestuurd moet worden. Om negen uur helpt een vriendelijke dame van de PTT me met een doos. De tent gaat er in, een boekenlegger, een riem, de kam, de hoofdlamp en de weegschaal geeft 3300  gram aan. Dat scheelt straks aanzienlijk in de bergen. De doos gaat rechtstreeks naar Valkenswaard.

Het blijft nog steeds bijzonder dat mijn voettocht zo voorspoedig verloopt. Nergens geen pijn, en de kilometers verdwijnen achter me. Ik waardeer dat des te meer als ‘s-avonds in de refuge in het voormalige Jacobijnenklooster nog geen Philippe aanwezig is. Tot nu toe lijkt het voor mij allemaal zo vanzelfsprekend! Als ik na de mis in de abdijkerk terugkom, staat er tóch ‘n tweede paar schoenen. Niet van Philippe, maar van Maurice uit Budel! Een vrolijke jonge gast die de camino ook loopt. Natuurlijk kletsen we wat over Cranendonck en HAC Weekblad. “Ik zal m’n vader wel eens vragen of hij die krant kent”, zegt hij lachend. We zijn de enige twee bezoekers in een refuge voor 12 personen.

Hagetmau is een dorp op de route naar Beyries.De uitvalsweg is hooggelegen en plots roept een oma van beneden: “Meneer Pelgrim, het is zo warm, kom naar beneden om iets te drinken!” Samen met haar kinderen en kleinkinderen wordt er uitgebreid geluncht. Ik laat me verleiden en krijg een stoel, heerlijk koel bubbelwater en een bord vol groenten en fruit. “Waar bent u vandaag vertrokken? Waar komt u vandaan? Hoeveel km loopt u per dag?” Standaardvragen die het gezelschap op me afvuurt. Ik mag niet weg zónder een stuk kaas ná en dan ook nog een punt aardbeienvlaai. Je merkt steeds vaker dat de Jacobsroute hier meer en meer cultuurgoed wordt en de bevolking vertrouwd is met pelgrims. In Beyries staat het gemeentehuis in een verloren hoek van het dorpje. Er is een  feestzaal tegenaan geplakt. Op dit eindpunt van de 52e dag slapen in deze grote ruimte ook twee oudere dames en Bulander Maurice. Door een groot gordijn te hangen is een prima slaapafdeling gecreëerd. Omdat het droogrek vol hangt, span ik mijn eigen draad onder het afdakje van de voordeur van het gemeentehuis. Toeval of niet, als ik bezig ben mijn onderbroek op te hangen verschijnt mevrouw de burgemeester, en verzoekt me de was te verwijderen. “Dit is een gemeentehuis”, zegt ze kordaat, en daar heeft ze gelijk in. 

Het is een week geworden met 147,6 km en in totaal 1590,5 km met 10 druppels regen. Wonderlijke slaapplaatsen en veel genoegen!

Graag tot volgende week in Spanje voor deel 10. Ik vrees dat het dan helemaal gedaan zal zijn met de rust van de afgelopen tijd!