Met een olifant op de bank

De tijd dat banken gezinsfinanciën klantvriendelijk promootten is lang voorbij. Nog enkel en alleen uit op eigen winstbejag verschrompelden deze instellingen tot aftroggelbedrijven. De klantloketten blindeerden onderbemand, openden slechts tijdelijk en uitsluitend op afspraak. Digitaliseren en internetbankieren werden de codewoorden. Voor nestors, vaak digibeten, een obstakel! En dan te bedenken dat juist die senioren tijdens de jongste financiële crisis voor de banken een laatste reddingsboei waren… 

Banken beduvelen ons. Banken melken ons spaargeld. Banken woekeren met ons kapitaal. Banken sjoemelen. Banken crashen met onze tegoeden. Onze rente…? Een habbekrats…! Bankconcerns en Vadertje Staat slaan hun tentakels wurgend om ons heen. Hieraan werken wijzelf driftig en vooral dom mee op de zogenaamde sociale netwerken. Sociale…? Zelfs onze privacy ligt te grabbel. Hoe moest je anders – in de begin jaren 2000 – de navraag naar het doel van een relatief grote som af te halen geld interpreteren? Of zoals Walter na enkele pintjes op en over zijn stokpaardje placht te leuteren: “Baanken persen os oewt; goien ozze privé te grabbel. Wie hit nog praaivesie? Ich nè, gi nè,  heumpes nè, niemud nè…!”

Verongelijkt vertelde diezelfde Walter hoe hij ooit het afhalen van een grotere som geld van zijn spaarrekening moest verantwoorden. Aan het loket zat bankbediende Bart. Wrikkelend over zijn bureaustoel vroeg hij op gedempte toon: “Wa ziede van plan, Walter?” Zijn lichaamstaal, zijn stemtimbre, zijn mimiek verraadden schaamte. Maar een order van bovenaf  dwong hem tot die vranke, wrange vraag. Walter boog voorover tot bijna tegen de glazen scheidingswand, lonkte links, loenste rechts en fezelde nog gedempter: “Ich goi unnen oliefaant koewpen.” Rug gerecht, het hoofd een beetje schuin grijnsde Bart ongelovig over de bovenkant van zijn brilmontuur heen. Stoïcijns inde Walter zijn biljetten. “Merci en tot nog ‘s,” grinnikte Walter en vertrok nog nagroetend met zijn linkerhand hoog in de lucht. Monkelend keek Bart hem na tot hij om de hoek verdween. Enkele dagen later stond Walter weer voor het loket te wachten op een fikse uitbetaling. Opnieuw polste Bart gegeneerd: “Wa godde mê dê gêêld doewn, Walter?” Met dezelfde flair fluisterde Walter: “Voer koewpen vur mienen oliefaant.” Met zijn linkerwijsvinger over zijn getuite lippen voegde hij er temerig aan toe: “Mêr Bart, sssttt…, deenkt ‘r oan…, baankgeheim!” 

Toevallig zag ik ’s avonds Bart tergend traag door Walters straat rijden. Ter hoogte van de woning – momenteel bouwwerf – van Walter schokte de auto hobbelend verder terwijl Bart met de mond open de ogen uit zijn kassen keek. Op zoek naar…? Een olifant misschien…   

(Harrie Beks – Hamont, zondag 29.05.22)