Onderweg naar Santiago deel XI

Na een heerlijke rustdag in Pamplona wordt Puente la Reina, 22 km verderop, de volgende pleisterplaats. Volgens de hoogtekaart van 440 m via 750 m in El Perdon terug naar 340 m in Puente la Reina, aan de rivier Arga. 

De temperatuur stijgt tot boven de dertig graden en de uitzichten zijn fantastisch. Het doet me steeds aan het landschap van Luxemburg denken. In de refuge is een oudere Oostenrijkse dame blij dat ze even Duits kan praten en vertelt dat dit de vijfde keer is dat ze richting Santiago loopt. “Ik ben al doodop na twee dagen lopen!”, zegt een Chinese die in de keuken rijst probeert te koken. Ze noemt me een grote leugenaar als ik vertel dat ik al zestig dagen loop. “Heb je getraind voor vertrek?”, vraag ik, en ze bekent dat ze binnenshuis alleen wat pasjes heeft gezet op een matje.

Om half negen komt mijn slaapmaat binnen. Hij zal boven in het stapelbed de nacht doorbrengen. Ik bied de Italiaan aan mijn driewegstekker te gebruiken, zodat hij zijn telefoon ook kan opladen. “Je bent een goede vent. Beter dan al die Italianen bij ons. Die deugen niet”, zegt hij in gebroken Engels, en hij vraagt of ik op zijn rugzak wil passen als hij zich gaat douchen. Het hoofdkussen van zijn bed is vanmiddag al ingepikt, heb ik gezien. Hij vraagt na afloop vriendelijk of ik een biertje met hem ga drinken. Maar dat is aan mij niet besteed.

Bedevaartplaats

Al twee keer wordt onder het eten de vraag gesteld hoe het verhaal van St.-Jacobus er uit ziet. Uit alles wat ik gelezen heb blijkt dat er geen bewijzen zijn dat Jacobus in Santiago begraven is. Ik vertel dan dat hij twaalf keer in de Bijbel wordt genoemd als apostel van Jezus en dat hij door de koning wordt onthoofd. De legende zegt dat zijn lichaam per schip in Spanje aan land is gebracht en een laatste rustplaats heeft gekregen. Later wordt het graf door een kluizenaar herontdekt en komen koningen en bisschoppen langs: een bedevaartsoord is geboren. Pelgrims arriveren, geld wordt meegebracht en vanaf de zevende eeuw is in heel Europa het verhaal van Sint Jacob (Santiago) bekend. Nu is het de beroemdste bedevaartplaats van misschien wel de hele wereld, en daar ben ik naar op weg.

Er staan nog ongeveer 760 km’s op me te wachten als ik op woensdag 1 juni uit Puente la Reina vertrek en de ooievaars in hun nest op de kerktoren zachtjes vaarwel zeg. In Estella heb ik uiteraard ook gereserveerd en als eerste word ik ingeschreven, betaal ‘n paar centen en krijg zoals gewoonlijk een wegwerp-onderlaken mee een een wegwerpsloop. “Slaapzaal 1 bed 2”, zegt de dame vriendelijk. Een Spaanse pelgrim komt even later verhaal halen bij de eigenaresse: ze heeft eten gekocht om te koken en nu hangt er boven het aanrecht een brief dat vanwege covid de keuken gesloten is. “U had die brief bij de voordeur moeten hangen; dan had ik een andere Albergue gekozen!”, zegt ze met Spaanse temperament..

‘ s-Avonds loop ik door het pittoreske plaatsje. Bij één van de terrassen zitten bijna alleen maar mannen, en dan ook nog met de rug naar de straat! Al gauw blijkt dat ze op een groot tv-scherm zitten te kijken naar het stierenvechten. Typisch Spaans, vermoed ik. En al gaat de gevechten vooraf veel uiterlijk vertoon vooraf, en al zijn torero’s sierlijk gekleed, het blijft voor mij maar een raar fenomeen. 

Een groep jongelui is de volgende ochtend al om 05.30 u gezellig uit de veren om de warme zon tijden de camino vóór te kunnen blijven. Hun rugzakken hebben ze op een slordige hoop gegooid bij de voordeur, zodat een transportdienst ze naar Los Acros kan brengen, ruim 20 km verderop. Ik houd het bij het ouderwetse handwerk en draag mijn eigen rugzak, ook al heeft die vandaag extra gewicht. Ik had ook eten gekocht om in de keuken klaar te maken: 250 gr spaghetti, spaghettisaus in een pot en voor de komende ontbijten en lunchen jam, stokbrood, paté in een glazen potje en een droge worst. Maar goed, dat is het leven van een pelgrim.

Herkenning

Op de camino herken ik meerdere objecten uit de diverse studieboeken. Zo passeer ik in El Perdón een kunstwerk, bestaande uit meerdere pelgrims achter elkaar, zowel te voet als te paard. Filmcamera’s snorren als ik naar dat hoogste punt kom geploegd. De Koninginnenbrug in Puente la Reine is ook herkenbaar. Het is een heel oud en beroemd herkenningspunt voor pelgrims. Donderdag rond 07.00 u sta ik bij het derde fenomeen: twee kraantjes waaruit links permanent rode wijn stroomt en rechts water. Het bieden van wijn is hier al een gewoonte uit de tijd dat benedictijner monniken ter plaatse een kloosterwijngaard hadden. Dagelijks genieten de talrijke pelgrims van de honderd liter die wijnhuis Bodegas – Iratche nu levert tussen 08.00 u en 20.00 u.

De provincie en regio Navarra verlaat ik en kom in La Rioja in de plaats Logroño. Het is altijd weer bijzonder als je als zwaarbeladen pelgrim een dorp of stad binnenloopt. Het lijkt steeds alsof je wordt omarmd. Je voelt je meer dan welkom. Overal zie je de Jacobsschelp: op de grond, in winkels, als gevelsteen, op richtingaanwijzers en noem maar op. De camino maakt hier echt deel uit van de samenleving. 

In de refuge van Logroño werkt ook Ria als hospitalero. “Ik kom uit Vaals, maar woon nu op de Veluwe. Ik kwam hier overnachten toen ik zelf de camino liep, en dacht nadien: hier zou ik wel willen helpen. Lekker knus, als in een familie.” Als ik haar vraag waar de houten hekken voor dienen die hier en daar staan, legt ze uit dat in het weekend groot feest wordt gevierd. “Koeien worden losgelaten en opgejaagd; Pamplona in het klein. Straten worden met houten poorten afgesloten voor de dieren, voordeuren worden afgeschermd en op sommige plaatsen worden uit voorzorg houten balken geplaatst. Ook lopen er hele grote poppen mee die met elkaar dansen en ook mensen met een heel groot masker.”  Blijkbaar worden de straten versierd en komen op veel plaatsen tafeltjes met veel eten en drinken. “Wij zorgen ook voor tafeltjes met eten, hier in onze straat. Het is een heel leuk feest”, zegt Ria met een big smile.

Vanaf de Pyreneeën wordt de Camino Francès voor het gemak in 32 trajecten gehad, variërend van 16 tot 32 km. Er liggen al tien stukken achter me. Maar goed ook, want we beginnen elkaar al aardig te missen. Vandaag (maandag) nog een zuil gepasseerd die 550 km aangeeft tot Santiago. Daarbij nog 90 tot Finisterre en het plaatje is rond.

Graag tot volgende week voor deel 12.