Meer ooievaars dan zonnepanelen

Overnachtingen zijn natuurlijk essentieel tijdens de camino. In Nederland en België ben ik vaak te gast bij Vrienden op de Fiets en één keer bij Welcome to my Garden. Verder geeft de route-app  van het Genootschap van St-Jacob veel adressen waar je kunt slapen en vaak ook eten. Hier in Spanje beschik ik over een zeer uitgebreide lijst, speciaal voor pelgrims. Dat moet ook wel, want het wordt alsmaar drukker en drukker richting Santiago. En alle overnachtingsplaatsen zijn natuurlijk verschillend.

Vorige week eindigde ik mijn verhaal met een overnachting in één van de 29 kamers van een Clarissenklooster in Carrion de los Condos. Een kamer alleen, met douche, wc, opgemaakt bed, 3 handdoeken, douchegèl, shampoo, een keuken ter beschikking, net als een wasmachine en droger en een eigen bosje sleutels. Voor het kamerraam zitten wel tralies. Maar de zusters zitten ook achter de tralies, al hun leven lang! Zelfs tijdens de vespers. In het kloosterwinkeltje zit dus geen non, maar een kortademig heertje dat zijn uiterste best doet om me in te schrijven. Dankzij mijn stempelkaart of credential betaal ik € 25 . Daar staat tegenover dat ik ook wel eens in een refuge slaap met meer dan 100 bedden op één zaal, en € 8,00 betaal. Geen dekens, lakens, zeep, handdoeken of eigen toilet of douche.

De volgende dag -het wordt 37 graden- verlaat ik het klooster kort na zessen, op weg naar Terradillos  de los Templarios, 26,6 km verder, naar een Refuge Privado met 50 bedden. Er is geen avondeten beschikbaar, maar wel een ontbijt.

Onderweg mag ik een foto maken van twee benen. Een pelgrim is zó blij dat hij de camino mag lopen, dat hij vooraf de Jacobsschelp en een gele pijl op zijn benen heeft laten tatoeëren. Uit het gesprek met de Mexicaan maak ik op dat de tattoo’s hem een geweldige kick hebben gegeven. In Bercianos del Real Camino zit een oud vrouwtje in haar stoel, half over de drempel van de voordeur. Ik spreek geen woord Spaans, maar ik wil haar toch wel horen praten. “Waar is de kerk?”, vraag ik in aangebrand Spaans/Frans. En ja hoor, ze begint druk te praten en wijst me tegelijkertijd hoe ik moet lopen. Als ik haar duidelijk maak dat ze een mooie jurk aan heeft, begint ze te glimmen en vraag ik meteen of ik een foto mag maken. “Van mij?”, vraagt ze en even later is het al gebeurd. Ik loop naar de kerk en als ik omkijk wijst ze nog ‘n keer en zwaait tot ik de hoek om ben.

In datzelfde dorpje zie ik trouwens voor het eerst woonvertrekken die zijn uitgehouwen in heuvels. Eén of meer schoorstenen steken er bovenuit. Een raar gezicht, maar de regio schijnt er om bekend te staan.

Als ik ‘s-morgens door de uitgestorven dorpjes loop, is het enige teken van leven vaak een bar of een Albergue, die op straat voor de pelgrims een terras heeft gemaakt. Daar wordt gretig gebruik van gemaakt, zeker als er na de overnachting geen ontbijt is. Na zo’n dorpje verschijnt deze week dan weer die uitgestrekte Meseta. Aan één kant van het pad vaak een woestijnvlakte, en aan de andere kant soms gerstvelden. Om voldoende water te krijgen staan er regeninstallaties die wel lijken op de brug bij Nijmegen. Soms zijn er wel acht of tien bogen waar sproeiers onder hangen. Elke boog is ongeveer 50 meter lang. Soms rijdt de installatie op en neer over de akker, soms draait het hele gevaarte in een halve cirkel om zijn as. 

Donderdag tref ik op de Meseta bij het plaatsje Villamarco een openlucht-poepplaats aan voor pelgrims. Volgens aanwijzingen kun je bijvoorbeeld op een boomstam gaan zitten en je behoefte doen. Je wordt wel verzocht om alles netjes op te ruimen. Het kan een welkome oplossing zijn in dit gebied. Na ruim 25 km stap ik het dorp van mijn bestemming binnen en meteen vallen de ooievaars weer op, die twee enorme nesten hebben gebouwd op de kerktoren. Zou de pastoor of het kerkbestuur daar blij mee zijn? Misschien kom ik er nog achter, deze reis, want er zijn ontelbare nesten. Meer dan zonnepanelen. Ik zou ook wel eens willen weten waarom die juist hier, waar de zon zo vaak schijnt, niet of nauwelijks te vinden zijn. Ik ga het vragen.

Intussen heb ik na overleg met Trudy besloten om mijn schoenen niet meer te wisselen, hoewel ook dit paar weer aan het verslijten is bij de hakken. “Reken zeker op tien dagen voordat ze hier zijn”, zegt een hospitalero. Dan ben ik nog maar 2 of 3 dagen verwijderd van Santiago! Daarna nog 90 km naar Finisterre; dat is het me allemaal niet waard en beheerst het te veel mijn dagritme. Als ik zie dat de schoenen van Vincent -de man met het aanhangertje- exact dezelfde slijtage hebben en hij ook gewoon door gaat, -de schoenen zijn van hetzelfde merk- is het me duidelijk. Doorlopen.

In de Albergue San Francisco de Asís in de stad León blijkt mijn naam niet geregistreerd te staan, terwijl  ik wél gereserveerd heb. Dan voel je je beroerd. Ik moet drie kwartier op een bankje zitten afwachten wat er beslist gaat worden. Ik pak koffie uit de automaat en lees een magazine over de kathedraal van de stad. Het pakt goed uit: paspoort en credential worden gecheckt en ik mag naar kamer 310, met 4 stapelbedden. 

‘n Engelsman die later op de kamer komt, vertelt de camino te lopen om te bidden voor zijn familie en als penetentie. Een jonge Mexicaan wil tussen twee banen een duidelijke break en de Fransman die in Charleroi woont zegt: “Ik loop nu voor de derde keer naar Santiago omdat ik verliefd ben op de camino. Vraag me niet waaróm.” 

De genoemde Engelsman liep de camino aanvankelijk op sandalen en komt net terug van het ziekenhuis. Blaren onder zijn rechtervoet. Er zit nu verband omheen. Ook de kleine teen van zijn andere voet is ingepakt. Het ziekenhuis heeft geadviseerd om vandaag niet meer te lopen. Hij is not amused.

Omdat de Albergue katholiek is – er is een klooster aan verbonden met een kerk- word je uitgenodigd voor een rondleiding in de kerk en in het klooster om half zes en voor een mis met pelgrimszegen om half acht. Intussen doet één van de hospitalero’s voor drie euro de was en gaat alles ook nog in de droger!

De rondleiding stelt weinig voor: de monnik draait een simpel verhaaltje af. Om acht uur doet één van de kloosterlingen, afkomstig uit India, de avondmis. Om de beleving van de camino nog verder te versterken heb ik in het dorpje Hospital de Órbigo een interview met een pastoor die veel aandacht schenkt aan pelgrims. En de volgende dag draagt in de kathedraal van Astorga de bisschop een pontificale hoogmis op, waarna er een processie door de stad trekt, met een hostie in een monstrans, vervoerd op een kar met een zee van bloemen.

Vandaag komt mijn regenponcho voor het eerst sinds maanden uit de rugzak: het regent bijna ‘n uur, en dan is het weer over.

Vanmiddag ben ik aangekomen in de Albergue in Rabanal del Camino, 240 km van Santiago. De zon schijnt weer.

Graag tot volgende week voor deel 14.