Praza do Orbadroiro en de Botafumeiro

Een belangrijke week. Ook al is bij de camino het bereiken van Santiago niet het  doel, maar de weg ernaar toe, tóch voelt het deze week wel zo. De plaatsnaam is al zoveel jaren genoemd. Als ik daar deze week arriveer, ervaar ik het toch wel als een resultaat.

Ik voel het heel duidelijk naarmate die laatste honderd kilometers wegglijden. Dag 89 van de bedevaartstocht, 28 juni, begint heel mistig. Vóór me lopen soms mannen met de Venezolaanse vlag. Dan weer een manneke van zeven met zijn ouders, die steeds weer even mijn Hollandse wandelstok mag vasthouden. Onderweg verschijnen de eerste maïsloodsjes: smalle opslaghuisjes waarin de maïskolven veilig kunnen drogen, zonder door vogels of andere dieren te worden verschalkt. De dag wordt ook gekenmerkt door verschillende appjes en e-mails met een vraag over mijn gevoel rondom de naderende aankomst, de volgende dag. Velen wensen me succes met de laatste loodjes, al voelt dat helemaal niet zo. 

De volgende dag loopt Bill uit Florida mee en voor het eerst heb ik een wandelmaat. We praten over de wapenwetten in Amerika, de geloofsopvoeding, het koninklijk huis en de aankomst bij de kathedraal van Santiago. Om 12.00 u pakken we samen koffie. Ik wil vóór 17.00 u nog in de Huiskamer geweest zijn, waar speciaal Nederlandssprekende pelgrims welkom zijn voor een luisterend oor, koffie of informatie. Onderweg komen we nog oude bekenden tegen van de afgelopen maanden. De spanning stijgt voelbaar. Dan ligt er plots een stad vóór ons. Niet duidelijk is, of dat Santiago is. Het moet haast wel. Volgens Bill moeten we eerst nog een berg over. Ik stuur een locatienaald naar de familie-app en even later volgt een videocall van Trudy en Brigitte, maar het is nog 4 km. tot de kathedraal. Dan komt die heuvel en verschijnt het bord Santiago. Foto’s en films worden gemaakt. De weg daalt en de stad ligt vóór ons. In een steegje herken ik in de verte één toren van de kathedraal. Als we langs de albergue van Bill komen, gaat hij daar naar binnen en stap ik alsnog alleen verder. 

Er lopen in de grote stad veel pelgrims. Vanwege de smalle straatjes in het centrum is het even zoeken naar de kerk, maar al snel ligt het immense kerkplein vóór me. Mensen staan, zitten, liggen, hangen, één dame staat zelfs op haar handen. Felicitaties krijg ik plots van de man en vrouw uit Korea, die ik al vele malen ben tegengekomen. Ze omhelzen me. Hoe geweldig is het om na 2425 km en 90 dagen hier te staan. Foto’s worden gemaakt door iemand die toevallig ooit in Eindhoven studeerde. Wat een euforisch gevoel om hier nu te zijn op het Praza do Obradoiro, tussen al die pelgrims uit de hele wereld!

De hoofdingang van de kerk is dicht. Waar is de ingang? Toch eerst maar naar de Huiskamer. Wat een drukte en stress bij de ingang van het gebouw, want hier worden ook de diploma’s, de compostela’s verstrekt, die het bewijs zijn dat je de camino hebt afgelegd. Er is veel beveiliging, maar als ik zeg naar de Huiskamer te willen, wordt er wat geschreeuwd door de security en mag ik verder. Maar eerst een mondkapje. Warme ontvangst in de Huiskamer der Lage Landen, door Lina Mulder en Jan Tünnissen, die allebei deze week als vrijwilliger invallen.

Jan vertelt dat zijn vader (1898) rond 1955  enkele maanden directeur was van het postkantoor van Valkenswaard! Hoe is het mogelijk! Hij was eerder al directeur van district Utrecht en werkte ook in Bovenkarspel. “De hele familie komt trouwens oorspronkelijk uit Veghel.” 

Ik vul een formulier in voor de aanvraag van mijn compostela en Jan loopt mee naar beneden. Hij regelt een volgnummertje en bij loket 16 zit een dame; net twee dagen in dienst. Ze stelt me op m’n gemak en samen met haar collega worden de compostela en het afstandsformulier ingevuld. Vervolgens vijf euro afrekenen en weer naar boven. Dan spullen pakken en naar de albergue. Ik krijg een bed bij raam. Daar ben ik blij om, want ook op de camino is Covid vastgesteld. 

Om half acht ‘s-avonds is er een plechtige mis. De kathedraal is tjokvol. Bill is er ook. Op het einde van de viering worden we aangenaam verrast: het immense wierookvat dat aan een touw hangt vanuit de gewelven, wordt aangestoken. Een groep mannen trekt gezamenlijk aan het touw en even later zwiert het rokende vat, de botafumeiro, van de ene naar de andere kant. Zeer indrukwekkend. Dan slaat de vermoeidheid toe: 30 km gestapt, veel indrukken en veel apps en e-mails. In de albergue sluit ik de rolluiken en een zeer bijzondere dag raakt ten einde.

Bij de toegang tot de crypte van St.-Jacob staat de volgende dag niemand. Ik daal af om het schrijn te zien en flaneer daarna wat door de kerk. Buiten kom ik veel bekenden tegen die ook gearriveerd zijn. Wat een ervaring om hier rond te lopen. Even later ga ik weer terug naar Hostel Mundo-albergue voor … rust. Ik ben wel ‘n beetje trots.

Veel pelgrims gaan na Santiago nog verder: naar Finisterra. Soms met de bus op en neer, soms te voet. Ik pak mijn rugzak weer in en begin aan het laatste stukje camino van 90 km. Daarover in het 16e en laatste artikel van volgende. 

Evert Meijs