Ik, Marie

Ik ben Marie, de tweede hond van het baasje. Simo is mijn grote broer. Toen ik vijf jaar geleden vanuit het asiel in Roemenië hier kwam wonen, heeft mijn broer me alles geleerd. Ook dat ik uit een asiel kwam. Nu zijn we al heel lang weer in Frankrijk, het baasje, ik en Simo. Ik heb die verschrikkelijke tocht in de auto, nu twee maanden geleden inmiddels al heel veel keer gemaakt. Toch zeker al zesentwintig keer, verder kan ik nog niet tellen. Toen we nog in het Hamonthuis waren, zei Simo tegen me: ‘Ze gaan weer, kijk maar, ze zet allerlei tassen in de gang, ze mompelt, ze zucht, ze doet boodschappen en het is de tijd van het jaar.’ Simo weet alles. Hij is ook al dertien jaar. Het was zoals bijna altijd een verschrikkelijke tocht. We mochten maar één keer uit de auto. Ook stonden we heel lang stil ergens. Heel lang. Ik deed een heel klein jammertje achterin en kwam omhoog op m’n achterpootjes en keek naar buiten. Honderden van die verschrikkelijke baasjesdozen stonden in driedubbele rijen naast elkaar, aan de voorkant en achter ons ook. En niks bewoog. Gelukkig was het wel koel. Het blies in de autodoos. Eindelijk kwamen we aan in het Franse huisje. We kregen meteen water en mochten rondrennen. Baasje 1 en 2 sjouwden met alle dozen en tassen naar boven naar ons fijne huisje binnen en onze manden en wij maar lopen en water drinken en op het gele prikgras rennen. En nu is het nog steeds heet en we zijn hier al zo lang. Ik lig buiten op het balkon in de schaduw van een dikke boom. Simo ligt onder tafel. Baasje zit binnen. Baasje twee is al lang weer naar huis. Er zijn ook nog andere mensjes geweest en die zijn ook al weer weg. Maar nu zijn ik en Simo alleen met het baasje. Ik heb het druk. Moet buiten de boel in de gaten houden en steeds naar binnen lopen om te kijken of baasje geen eten laat vallen want ze is aan het koken. Simo hoort haast niks meer, dus ik waak voor twee. Ik moet nu voor hém zorgen. Soms moet ik hem aanstoten en zeggen, kijk, daar in de beek loopt weer iemand, blaffen maar, zo hard je kunt en zolang je hem kunt zien. Als het poortje open staat ren ik er voor de lol nog een poosje achteraan en kom dan gniffelend terug. Gister zag ik een konijn in de wijngaard en stootte Simo weer aan. Poortje was dicht. Simo gaapte, we krijgen toch brokjes, deed hij. Wat moeten wij met zo’n vies Frans konijn. Ergens had hij wel gelijk. We kunnen er eigenlijk niks mee. Dus zucht ik en ga maar weer liggen. Dan lijk ik net een ouwe hond. En ik ben pas 7. Soms als het heel hard waait ben ik bang. Dan ga ik tussen de hoge stoepsteen en de bezemsteel in liggen, daar ben ik veilig. Ik heb binnen 2 verschillende mandjes staan waar ik nog nooit in heb gelegen. Ook al gooit baasje er de lekkerste brokjes in, ik ga er niet in liggen. Als ze niet kijkt haal ik ze eruit, dat wel. Nee, ik lig op de bank. Dat is mijn plaats. Ik ben namelijk langwerpig gebouwd en vrij klein. Ik heb iets van een teckel, ietsje groter maar dan met een klein vossesnuitje. Mensen vinden mij vertederend, ook omdat ik aan de zijkanten van mijn voorpoten franjes heb net als cowboylaarzen. Western-Marie noemt baasje mij vaak. Ik lijk eigenlijk nergens op. Zo, nu weet u ook hoe ik eruit zie. Ik denk dat baasje ongeveer klaar is met koken dus nu loop ik even naar de keuken. Een enkele keer laat ze per ongeluk expres kleine stukjes vlees vallen waar ik dan als een haas bij ben. Haas, nee, kip.

Ach, het leven is goed hier maar zo heet als het geweest is. Nu komt er nog familie met andere honden, die wij wel kennen natuurlijk Simo en ik, maar waar we toch flink de baas over gaan spelen. Dat is wel leuk, en daarna, daarna, gaan we met zijn allen naar huis in Hamont. Hoera, ook wel weer fijn. Niet Simo? Mmmm, hoort niks natuurlijk. 

Reageren? Graag!  Dat kan via mail guus.van.winkel@pandora.be