Kerstverhaal 2022 – Door Evert Meijs

Het moet zo ongeveer rond 1920 zijn, want de Sint-Gertrudiskerk is nog niet zo oud, en de oorlog nog maar net voorbij. Het is winterdag, met als gevolg dat hier en daar inwoners van Maarheeze naar het bos gaan om hout te sprokkelen. Zolang er geen sneeuw ligt zijn er genoeg takken te vinden om gratis de haard te kunnen stoken. Stookhout uit het bos slepen is eigenlijk een beetje schaamteloos, zo vinden de inwoners van het dorp. Maar ja, als je geen geld hebt, moet je iets.

De huishoudster van de burgemeester stookt de kachel met briketten, terwijl eierkolen meer voor de gewone man zijn.

In de hoofdzakelijk agrarische gemeente zijn veel veranderingen gekomen omdat de dorpen Soerendonk, Sterksel en Gastel zijn toegevoegd aan Maarheeze en het dorp telt dan in totaal 735 inwoners. Pastoor Henri Jansen is een tevreden man. Al enkele jaren woont hij in de fraaie pastorie met het jaartal 1821. Ernaast laat hij een nieuwe kerk bouwen. Een prachtig gebedshuis, maar wel verwijderd van het dorpscentrum. De pastoor staat op goede voet met burgemeester Moons en samen stellen ze alles in het werk om de komende kerstdagen weer tot een fijne periode te maken.

Op de oude boerderij aan de Kerkstraat komen af en toe mensen vragen om wat stro voor in de kerststal. Riet voor het dak snijden ze aan de Boschloop en ook mos is daar voldoende te vinden. De bakkers hebben het druk met de worstenbroodjes en het zijn vooral de moeders die hun kinderen deze dag vóór Kerst nog even naar bed sturen, vanwege de komende kerstnachtmis. Door de Kerkstraat, de Hoge Weg en De Vinnen lopen mensen, gehuld in dikke jassen, naar de winkel voor de laatste boodschappen. “Ik ga maar bijtijds, anders zijn de schappen misschien wel leeg.” zo zegt Bernard, en al om 10.00 uur is hij onderweg. Als hij even later weer thuis komt in het mooie witte huis aan de Kerkstraat, geeft hij de boodschappen hun vaste plaats en loopt naar de schuur om nog wat te rommelen. 

Het Angelus
Elke dag om twaalf uur slaat een hamer namelijk 12 keer tegen de kerkklok. Daarna nog eens negen keer. Vervolgens luidt de koster die klok met een touw. Dat alles wordt het Angelus genoemd. Koster Adriaan gebruikt daarvoor de jongste Gertrudisklok, al is die wel uit het jaar 1601. Het uurwerk in de linker toren zorgt dus niet alleen voor de wijzers op de wijzerplaat, maar ook voor de 12 + 9 klokslagen. Daarna trekt de koster beneden in de kerk aan het zware koord om diezelfde klok te luiden. Eigenlijk gebruikt hij altijd een klein Angelusklokje. Maar dat is nog steeds niet aangebracht in de kerktoren, want het ligt nog in Asten bij de klokkengieterij. Ook ’s avonds om zes uur klinkt het Angelus. Beide keren leggen de dorpelingen hun werk neer en bidden het gebed De Engel de Heren. Iedereen uit Máres heeft zijn dagindeling gericht op deze twee katholieke momenten.

En natuurlijk worden de klokken van de beide torens met een touw geluid vlak voordat een mis begint.

Balkenbrij en erwtensoep
Op deze 24 december, de drukste dag vóór het kerstfeest, is iedereen wat zenuwachtig. Er wordt gepoetst, gekookt, gebakken en er wordt water klaar gemaakt om iedereen te kunnen wassen. Trien is bezig met de kerststal, terwijl Bernhard nog wat tuingereedschap insmeert met lijnolie. Het valt hen op dat ze wat langer moeten wachten voordat ze naar binnen kunnen om te gaan bidden. Ze horen het Angelus van twaalf uur niet. “We wonen toch kort genoeg bij de kerk, daar ligt het niet aan.” zegt Trien. Ze doet de glasgordijnen ’n beetje opzij en ziet dat het uurwerk op de toren stil is blijven staan op 11.00 uur. Ze schrikt er ’n beetje van, want juist op de feestdag van de geboorte van Jezus is het toch belangrijk dat het uurwerk op tijd loopt en de klokken zich op de juiste tijd kunnen laten horen. Ze overlegt met haar man en even later staat ze op de stoep bij pastoor Jansen. De huishoudster maakt open en zegt dat de eerwaarde even aan het eten is. “Kom zó maar even terug, alsjeblieft.” zegt ze en Trien gaat terug naar Bernard. Het echtpaar besluit om dan ook maar meteen te gaan eten. Er staat deze zaterdag brood en balkenbrij op het menu, samen met erwtensoep.  Na het middagmaal gaat Bernard naar de pastoor en doet zijn verhaal. “Ik dácht al iets te missen, maar wist niet wát.” zegt de parochieherder en vraagt Bernard om naar de koster te gaan, die altijd voor de klok zorgt.

Verschillende ladders
Met een dikke muts op en de handen diep in de zakken stapt Bernard naar Adriaan en legt uit wat er gaande is. “Bedankt voor je boodschap, Bernard, ik ben voor het eerst in mijn leven vergeten de klokken om twaalf uur te luiden. Nou weet ik hoe dat komt! Ik ga onmiddellijk naar de toren in om de zaak op te lossen, als ik dat kan.” Enigszins gerustgesteld gaat Bernard weer naar huis en vertelt zijn vrouw dat de koster het wel zal fiksen. ’n Kwartier later zie je Adriaan naar de kerk sjokken. Vanaf de Hagelkruische Akkers is het altijd nog ’n hele afstand. Hij is al op leeftijd, heeft reumatiek en bovendien last van een korte adem. Aangekomen bij de kerk, stapt hij via de openstaande hoofdingang naar binnen en rammelt wat met sleutels. Hij zucht een keer. Het lijkt alsof hij extra adem wil halen voordat hij via de trap naar het zangkoor klimt, om naast het orgel via een klein deurtje weer verder te gaan, de toren in, waar het uurwerk staat. Er zijn verschillende ladders die beklommen moeten worden. De meeste zijn nieuw, en één ladder is nog uit de tijd van de vorige kerk. Adriaan klimt van de ene naar de andere zolder. Er liggen leien die nog over waren, kabels, wat touw en zelfs wat vuiligheid van vogels, die door de gaatjes van het gaas zijn binnengedrongen. Dan komt de laatste trap voordat de uurwerkzolder bereikt wordt, maar dat is de trap uit de kerk van 1770, en de molm zit er goed in. Adriaan zucht nog eens, kijkt naar boven, omdat bovenaan de trap ook nog een zwaar houten luik ligt, dat geopend moet worden. Hij klimt omhoog en halverwege trapt Adriaan door een trede heen. Hij tuimelt ongelukkig naar beneden en komt kreunend terecht op de houten vloer van één van de zolders. Adriaan schrikt enorm van de val, voelt aan zijn ribben, veegt over zijn hoofd en realiseert zich dat hij moeilijk nog verder de trap op kan. En nu? Het uurwerk zal vandaag toch nog in orde moeten komen. Immers, de parochianen komen naar de nachtmissen op het teken van de klokken. En als die niet op tijd te horen zijn, komt er niemand naar de kerk! Voorzichtig pakt de koster zijn oude zakhorloge tevoorschijn en ziet dat het al bijna half twee is. Dan gaat hij rechtop staan en klautert voor de tweede keer de ladder op. Deze keer let hij wat beter op de verschillende treden, en zet voorzichtiger dan ooit zijn voeten op de ene na de andere traptrede. Als hij eindelijk boven is, drukt hij met beide handen het luik open en komt bij het uurwerk.

Uurwerk in orde
Het is een groot ding, dat staat opgesteld in een houten kast met twee deurtjes met raampjes. Het glas van het rechter deurtje is verdwenen en er hangt een witte lap voor. Met zijn linkerhand op zijn borstkas van de pijn, opent hij de deurtjes van de klok en bekijkt alle tandwielen, hefbomen, radertjes en draaistangen. “Dat lijkt allemaal in orde.” mompelt hij zacht en inspecteert ook de grote slinger. Die gaat met een keurige constante snelheid heen en weer. Op de vloer liggen nog wat tandwielen van vroeger, en ook de opwindslinger. “Vreemd,” zegt hij, “die hoort altijd in het uurwerk gestoken te zitten. Daarvoor zitten in de deur speciale gaten waar je de slinger door kunt steken en de gewichten zo omhoog kunt draaien.” Er zit niks anders op dan de opwindslinger te pakken, de deurtjes weer te sluiten en de gewichten op te hijsen. Dat valt niet mee, want de winter is koud en de wind snijdt in de hoge toren door merg en been.

Overzicht vanuit de toren
Adriaan besluit om, ondanks de pijn in de borst, toch naar de volgende zolder te klimmen om te kijken bij de Gertrudis uit 1601. Hij beklimt weer een hoge ladder en geeft zijn ogen goed de kost. Wie weet, zitten hier ook verrotte treden in. Gelukkig valt het alles mee, en eenmaal boven, maakt hij een zwaar luik open dat bekleed is met lood. Onmiddellijk voelt hij de striemende kou aan zijn gezicht. Hij bijt op zijn tong, klimt vanaf de ladder naar de luidklok en laat het luik zachtjes achter zich dichtvallen. Even kijkt hij tussen de galmgaten door naar buiten en overziet het dorp. Het blijft een indrukwekkend gezicht. Het oude kerkhof, de pastorie, het witte huis van Trien en Bernard en in de verte de smederij van Ties. Op dat moment dwarrelen de eerste sneeuwvlokjes naar beneden. Wat een mooi gezicht. Ondanks alle ellende kan de torenwachter toch genieten van de eerste sneeuwkristallen. Dan inspecteert hij het dikke touw dat aan de klok zit. Dat is allemaal in orde. Alleen: de hamer die twaalf keer en negen keer tegen de klok slaat tijdens het Angelus, is afgebroken. “Mijn hemeltje, hoe moet dat nou??”

Ties brengt redding
De koster besluit de twee stukken van de kapotte stang mee te nemen naar beneden. Aan de smid zal hij vragen of het smidsvuur nog aan is, zodat hij misschien vóór zes uur een nieuwe ijzeren pin kan maken of de twee stukken weer aan elkaar kan smeden. Het is niet de eerste keer dat de smid een reparatie aan de klok heeft uitgevoerd. Voorzichtig stapt Adriaan weer op de bovenste sport van de ladder, stapt behoedzaam naar beneden, sluit het luik en vijftien minuten later staat hij weer beneden. Hij heeft het er warm van gekregen. Het sneeuwen zet door en langzaam maar zeker wordt alles wit. Bij Ties de smid rookt de schoorsteen nog. “Dat is een goed teken.” denkt Adriaan en hij trekt de grote deur open waardoor de paarden altijd naar binnen gaan als ze nieuwe hoefijzers moeten krijgen. Hij legt aan Ties uit wat het probleem is. “En de tijd dringt, want de mensen van Maarheeze moeten kunnen vertrouwen op de klok, elk uur opnieuw, en zeker op het Angelus.” Ties begrijpt het probleem, gooit de twee stukken ijzer in het vuur en zet zijn grote voet op de blaasbalg, waardoor het vuur wat harder gaat branden. Even later hoor je hem met een zware hamer de twee einden aan elkaar smeden. “Ssssssss” klinkt het; om de pin af te koelen heeft hij de stang in het water gegooid. Hij belooft de koster om zelf het stuk ijzer mee te nemen naar boven in de toren, en het zelf te monteren. “Dan hoef jij niet wéér helemaal naar boven en bovendien heb je het druk genoeg in de kerk, voor de nachtmis van straks.” Adriaan is blij verrast, maar waarschuwt Ties voor de slechte treden van de trap. 

Opluchting
Het is even voor vijf uur, als de smid de pin heeft gemonteerd, zodat de hamer weer tegen de Gertrudis kan slaan. Hij daalt vervolgens enkele trappen af en wacht tot het vijf uur wordt. De smid is blij als hij de hamer in de toren vijf keer tegen de klok hoort slaan. “Wat een opluchting! Ik ga er van uit dat ook het Angelus van zes uur wel weer in orde zal zijn.” hoor je hem zeggen. Hij loopt rechtstreeks naar Adriaan, die de klok van vijf uur natuurlijk ook gehoord heeft. Hij is dolblij. Ties: “En ik heb meteen de maten opgenomen van die slechte trap. Na kerstmis begin ik meteen om een nieuwe te maken.” Voor koster Adriaan kan kerst niet meer kapot. Voordat hij weer naar de kerk gaat om alle kaarsen bij te vullen, klopt hij aan bij Bernard en Trien. “Heb je de klok om vijf uur ook gehoord?  Nou kan het gerust weer Kerstmis worden. Bedankt voor jullie hulp en alvast een zalig kerstmis!” 

Door Evert Meijs