Zoalig Nèjjoar

Thuis schakelen mijn vrouw en ik van oud naar nieuw. Traditiegetrouw. Het laatste eelt van het oudejaar afgeschrobd nestelen we ons bij de openhaard. Ver van alle opgeklopte drukte. Zij in haar kamerjas onder een fleece-dekentje; ik in een marcelleke boven mijn pyjamabroek. Kleinburgerlijk? Misschien ja! En dan…?

Oudejaarsavond begint met een worstenbrood van de ‘warme bakker’. Let wel: “Nog zoe ’n awerwèts woarstebruujken: mier broewed as woarst. Mê moaster of majenèès.” Na die artisanale lekkernij volgen jaarlijks machinale aperitiefhapjes – te veel naam voor te weinig hap – met of zonder smaak op onze bijzettafel en in onze geteisterde ingewanden. ‘Och nog ’s zoe zaawt dê ‘ch er ferrem doarst van kriegt.’ Op vraag van mijn vrouw: “Gi och ’n wientje dizze kier”, kent ze het antwoord al: “Lut gewèren, gè  jicht dees daag! Ich haaw ’t bi mien Duvelke(s). Trouwes, murgen wil ich ’n heldere kop bi nèjjoarlèzen, bi ’t oewtdèllen en zeker bi ’t wiezen mê de kinder en de klènkinder…”

Af en toe zapt mijn vrouw naar een muzikaal tv-programma als achtergrondomlijsting. Met tussenpozen zorgen we die avond zelf voor een talkshow. Keuvelend overlopen we het uitdovende jaar: “Wa viel ‘r mèj? Wa viel ‘r tegen…? Wa hoeve we nè te onthawen? Wa willen we zlève nè vergèten…? Bo hemme we troanen geloaten? Bo kwamme we nè bij van ’t lachen…?” En ieder oudejaar opnieuw blijkt de ruimte tussen vreugde en verdriet flinterdun. Gezondheid, voorspoed, welbehagen liggen naast ziekte, tegenspoed, onbehagen bij onszelf, bij onze (klein)kinderen, bij familie, buren en kennissen. Zonder het in woorden uit te drukken weten we: in de razende vaart waarin de – onze – wereld doordraait ligt intens geluk in kleine dingen. Tegen een uur of elf maant mijn vrouw me aan: “Harrie, god och nouw ’s gaaw schèren. En nè trienselen of ge komt mè nèjjoar al te loat!”

Meteen of andere tv-presentator tellen we drie kwartiertjes later samen af, in cadans: “Viejf…, vier…, drei…, twieje…, iejen… Zoalig Nèjjoar!” Een kus, een knuffel en een heildronk. Vuurwerk lokt ons in winterjas naar buiten, naar het suizen, het fluiten, het knallen, het korte glitteren van gekleurde gensters hoog in het donker, het gedempte “Oaoaoaoahhh” van buren in de nieuwjaarsnacht. Wensen, wederwensen. Terug binnen sms´t Rosette naar Inke, Koen en Dries, onze drie kinderen ergens in het gejoel. Ons eigen hopen en verlangen verengen zich met het ouder worden tot: “Gezondheid…!”

Rond een uur of twee vinden we onze vertrouwde beddenbak van vorig jaar nog terug. In elkaars schoot prevelen we nog eens een smorende: “Zoalig Nèjjoar…!”

(Harrie Beks – Hamont, zaterdag 24.12.22)