Pelt

Omdat ik pas een week terug ben uit Frankrijk, na er 3 hete, hete maanden te hebben vertoeft, moest ik even bij de bank in Pelt langs om er wat achterstallig financieel onderhoud te laten verrichten. Niks erg, maar nooit leuk. Ik houd niet van banken, wel een beetje van geld maar bankzaken vind ik eng en ik snap er ook niks van. Ik besloot om via de route die ik vroeger naar het NIKO nam, de kunstacademie waar ik, samen met onze rosémeisjes 10 jaar op heb gezeten, naar de bank te rijden. Ik was zo in gedachten dat ik niet zag, komende van de brug vanaf Grote Heide en richting binnenstad Pelt, dat alles opgebroken was. Sterker nog, ze waren volop aan het werk. Midden op straat stond een enorm voertuig dat maar net niet geschikt was voor de oorlog in Oekraïne, nee, foei, zoiets mag ik niet zeggen, maar ik was al zo blij dat ik de weg terug kende dat ik dacht, even daar voorbij en dan ben ik er weer. Ik reed een stukje over de stoep en, terwijl ik het deed, zag ik dat het onomkeerbaar was. Ik zat vast. Eigen schuld, eigen stomme schuld. En ik kan al niet achteruit rijden. Ik zag een van de wegwerkers verbolgen naar mij kijken, een ander met leedvermaak. Er zat niks anders op. Ik stapte uit en vroeg aan de lange man met de gele helm hoe ik weg kon of verder kwam. “Je ziet toch dat je hier niet in mag”, zei hij. “Ja, sorry”, zei ik, “dat had ik niet gezien, spijt me”. Ik deed nederig. “Nou, als je dat al zegt”, zei hij toen, “dan maakt het veel goed”. “Ik kan daar niet tussen”, zei ik naar de paaltjes wijzend, “en ik kan ook niet achteruit rijden. Ik heb iets in mijn nek”. Ik maakte mijn stem nog onderdaniger en vroeg: “Wilt u alsjeblieft voor mij achteruit rijden tot ik kan draaien, dat kan ik wel”. “Nou, vooruit dan, voor deze keer”, en hij zei erachteraan: “en dat doe ik echt niet voor iedereen”. Ik werd hier ondanks de situatie toch blij van. Hij nam zijn gele helm van zijn hoofd, hij was echt heel lang, legde die ergens op, een paaltje of zo en stapte in mijn auto. Hij moest de stoel een heel eind achteruit zetten.”Ik zal er langs lopen en kijken”, zei ik dienstvaardig, want het luisterde nauw, achteruit. Hij reed heel voorzichtig en heel precies want onderaan de tankwagen zat een enorm uitsteeksel en kwam er precies langs. Hij reed nog een stukje verder en stopte toen. Op een sukkeldrafje liep ik langs de auto mee. Hij stapte uit. Ik bedankte hem uitvoerig. Een echt aardige man is het. Hij zette zijn helm weer op waarbij hij aangegrijnst werd door een collega. Ik draaide de auto, niet geheel volgens de regels want ik reed een stukje over allerlei stoepjes en richeltjes maar kon draaien en weer terug. De andere mannen die er bezig waren keken mij afkeurend aan, zo leek het. Domme vrouw, zullen ze gedacht hebben. Toen moest ik weer helemaal de route langs het ziekenhuis nemen om in centrum Overpelt te komen. Grote haast want ik moest om 2 uur op de bank zijn. En ik was er pas één keer geweest. Wist niet of ik het nog kon vinden. Gelukkig zag ik het bij een stoplicht ergens liggen. Kon meteen draaien en parkeren. Ik was maar een paar minuten te laat. Pfff, tijd is geld. 

Reageren? Graag! Dat kan via guus.van.winkel@pandora.be