Een pittig bordje soep

Normaal maken wij eigenlijk nooit ruzie, mijn vriend en ik. Logisch, want we zien elkaar maar een kleine twee dagen in de week, het weekend. En dat moet je al een behoorlijke drammer zijn wil je in die tijd ook nog een fikse ruzie maken. Toch waren we, laten we zeggen, niet ver weg van een ruzie met als afdronk een uurtje mokkend zwijgen. Categorie 2,4. Bijna dan, we kwamen nèt niet zo ver. Ik had een pak soep gekocht, dat wil zeggen, zo’n doos waar alles in zit, groente, bouillontabletten, knoflook en de hele reut. Ik had prei-kerriesoep gekocht. Een zwaar pakket, er zaten ook aardappels en een appel in. En ui en prei natuurlijk. Veel snijwerk. Dat doet mijn vriend altijd graag. Snijden. Ik heb dan de totaalregie. Ik lees hardop het recept op het pak voor en zeg wat er het eerst gesneden moet worden. Dat luistert heel nauw, zo’n doos. Ik doe er van mezelf altijd van die gemene pepertjes in, daar ben ik gek op. Die knip ik met de schaar fijn, hoef je ze niet aan te raken en naderhand per ongeluk door je ogen te wrijven, dat doet hartstikke pijn. Ik wilde er drie in doen. “Drie?” Zei mijn vriend, “is dat niet wat veel? Wordt de soep veel te pittig van.” “Hoezo, te pittig, hij moet juist pittig zijn,” zei ik terug, “het is hartstikke Chinees of Vietnamees of zo, zo’n soepje. Die chinezen gooien er wel 10 van die dingen in, wed ik.” “Dan hadden ze die toch wel in de doos gedaan, als dat moest,” zei mijn vriend weer. Daar had hij natuurlijk een punt, kon ik eigenlijk niet uitstaan. Hij ging weer verder met de prei snijden. Je mag toch fantaseren bij een soep, je hoeft toch niet letterlijk te doen wat op het pak staat en je snijdt die stukjes veel te klein,” zei ik een beetje pinnig toch wel, “dat hoeft helemaal niet. Ik ga er straks als alles gaar is toch met de staafmixer doorheen en wordt alles glad en fijn, ook de grotere stukken.” “Ik vind dat ze kleiner moeten,” zei hij kortaf. “Die ui hoeft maar door vieren hoor, die wordt hartstikke glad straks als hij gekookt is en ik plet hem met dat ding. Jij zoekt gewoon werk. Je vindt snijden fijn, dat heeft iets te betekenen,” zei ik, expres heel duister. Ik was op weg naar een lichte onenigheid. Ik pakte demonstratief de schaar en begon een pepertje fijn te knippen. Het eerste pepertje, zong ik intussen vals. Een rood, toen nog een groen. “Doe er dan tenminste die witte dingetjes uit,” zei hij, “dat is het ergste.” “Nee,” zei ik, “dat zijn fijne dingetjes en die gaan in de soep. Zul je straks zien hoe lekker dat is. De tranen springen je in de ogen, zo gezond.” (Normaal zeg ik, de tranen springen je in je onderbroek, maar dat kon het nu net niet lijden, dat luistert ook heel nauw.) “En we doen er ook wat meer knoflook in dan in het pak zit. Er is nog knoflook genoeg in de koelkast.”  De uien waren intussen gefruit en het water en de overige groente en de bouillontabletten konden erbij. Plus de room, heel veel knof en de drie pepertjes. Het was heel veel. “Kijk, lekker veel soep”, zei ik, “drie pepertjes is vast niet genoeg, dat beschiet niet, daar merk je niks van. Ik knip er nog een stuk of wat bij, lekker.” Hij zei niks en nam een biertje uit de koelkast. “Jij een rosé?” Het klonk kortaf, het soepprogramma ging niet naar zijn zin. Toen moest het deksel erop en de soep moest op een laag vuur zachtjes koken. Kookplaat laag, slokje rosé. “Wat hebben we het toch goed,” zei ik verzoenend want hij keek wat bokkig. Hij keek alsof de pepertjes hem al naar de strot vlogen. En hij had nog wel zo’n heerlijke Leffe in een sjiek glas met bolle buik. Het was warm in de keuken en er hing een lekker ruikende damp. “Het begint heerlijk te ruiken,” zei ik. De soep stond nog hoog in de pan, maar die ging nog wel zakken. Een zakje kerrie, dat ook in de doos zat ging er op het laatst bij en bij het opdienen de fijngesneden appelstukjes. Jaja, zo’n doos weet wat hoor. “Je hoeft de appel nog lang niet te snijden”, zei ik, “we zijn nog lang niet aan het eten.” Hij had de appel gepakt, het laatste onderdeel en begon hem te schillen. “Drink nou gewoon eerst rustig je biertje leeg. Doen we intussen het cryptogram uit de zaterdagkrant.” Altijd het leukste van de zaterdag, samen het cryptogram uit de krant maken. Hebben we nooit ruzie bij. Oké, hij keek al weer gewoon, blij en tevreden, (biertje werkte al)  nam nog een biertje en zocht een balpen. We zetten ons aan tafel, brilletje op, ik, tweede glaasje rosé, vrede op aarde. Hij ging even naar de wc en ik knipte als een razende stiekem voor de zekerheid nog 2 pepertjes in de soep.  

Reageren? Graag! Dat kan via guus.van.winkel@pandora.be