Onze sponde

Was nou net vóór of net na de geboorte van onze jongste zoon? Het wanneer van het gebeuren doet er eigenlijk niet toe. Zeker is dat het onderstaande voorval zich afspeelde tijdens een winternacht in 1985/86. Misschien zelfs van oud naar nieuw door de opgefokte massahysterie met dito nieuwjaarswensen. Een klap was ’t alleszins…!  

De scène uit onze toch al belegen huwelijksjaren speelde zich af in het echtelijk bed en in het pikdonker van de diepste nacht. Op de vlucht voor kudde op hol geslagen paarden tijdens mijn toenmalige nachtmerrie viel ik in een diepe gracht. Ik ontwaakte uit mijn angstdroom, tastte graaiend mijn omgeving af en meende uit onze sponde gevallen te zijn. Panisch moet ik geroepen, geschreeuwd hebben want Rosette suste me. Ik brabbelde iets van: “Stut merrie Krismas wèr op staal…? Hoe kroep ich hie in godsnaam oet die sloewt…?” Mijn gade bleef me bedaren: “Harrie, ge ziet nè oet bed gevallen. Ge ligt ‘r nog een! Echt woar! Alliejn is ’t bèd on owwe kaant oeterieejn gezakt! Kiek mê.” Ondertussen stak ze het licht aan. Onthutst en ongelovig keek ik nog een beetje vanuit mijn REM-slaap-fase om me heen. Inderdaad, met de bedplank verkrampt in mijn rechterhand gekneld overschouwde ik het slagveld. Mijn zijde van ons ledikant was afgebroken en onderuit gezakt. Achteraf verklaarde ‘Google’ deels mijn vier slaapfases. Kras hoe droom en werkelijkheid soms in elkaar schuiven…!

Bij de ontmanteling van ons kaduke ledikant ontdekten we de volgende ochtend tot onze verbazing nog van die antieke, Franse, spiraalvormige springveren (geen anticonceptie-spiraaltjes maar nachtrust-trampolineveren). “We zien nog riejker dan we deenken: antieke kopere russours,” grinnikte mijn vrouw. “Joajoa,” reageerde ik. “Mer ze zien jommer genoeg zoewa hiel hunne rek kwiet. Niks m’r mei oan te vangen!” In een denkbeeldige tekenfilm vluchtte een trits eendjes voor een hongerige reiger, onder het deuntje: “Toungggk, toungggk, toungggk…” Diezelfde dag nog trokken we voor een nieuwe slaapkamer eerst naar de ‘Meubelboulevard’ in Peer, daarna naar ‘De Prijzenklopper’ in Hechtel.

In deze laatste zaak vonden wij onze gading, zowel op financieel als comfortabel gebied. Ook bezat de meubelhostess naast haar vriendelijke lach nog extra troeven. Ze was jong, knap en bespeelde geestelijk en, euh…, niet-geestelijk haar eventuele klanten. Ze zag me twijfelen bij een slaapkamer. Bij een laatste poging zette ze haar ultieme joker, alias jump, in. Ze vlijde zich neer op het bed en nodigde me uit erbij te komen liggen. Het schrille contrast tussen haar ogen en die van mijn eegade weerhield me.

We kochten niet alleen het bed, maar de hele mikmak: kleerkast, commode, nachtkastjes, zelfs de spiegel. Wat een gratis glimlach al niet vermag…   

(Harrie Beks – Hamont, zondag 07.01.24)