Heugenissen

Met het ouder worden betrap ik mezelf steeds meer op nostalgische mijmeringen. Spontaan, uit het niets, blijkbaar zonder herkenbare aanleiding duiken herinneringen op uit mijn kinder- en/of pubertijd. Geen wazige, maar meestal heldere, fragmentarische woorden, beelden, geluiden, soms geuren, ja zelfs smaken…

Met Carnaval – toen heette dat nog ‘Vastenoavud in mien grotmoederstoal’ – mocht ik ieder jaar enkele dagen ‘op congé bi mien pèèt, taante Han, ’n zuster van ozze pa’. Mijn doopmeter woonde op een boerderij in Gastelaan de rand van de uitgestrekte ‘Leenderheide’. Ik werd op haar hoeve tussen oudere neven en nichten verwend. Ik sliep er in een soort oud beddenkastje op ‘’t opkamertje of den opkelder’ boven de koeienstal. Uit schrik trok ik altijd de gordijntjes van het koetsje dicht luisterend naar het smekken van de koeien, het  mekkeren van de geiten, het bassen van de hond, het snuiven van het trekpaard, het … tot ik in slaap sukkelde. Angstig schoot ik ooit midden in de nacht wakker. In een nare droom werd ik achtervolgd door een kudde op hol geslagen paarden. Maar in mijn vlucht bleef ik ter plaatse trappelen. Later dook in koortsdromen altemet dezelfde nachtmerrie op. ’s Morgens werd ik wakker met de ranzig zure geur van gekuild gras in mijn neus. Maar vanop de ‘Leuvense stoof’ cirkelden dampen van gebakken ‘hersjes spek met een pan eier als pèrsoewgen’ door hofstede. Heerlijk! Op maandag met Vastenavond liepen we zingend het gehucht af en belden of klopten huis voor huis aan voor een snoepje, een koekje of een stuiver. Waar we niets vingen eindigde ons liedje met: “Knoewt.., kwoent.., knoewt…!” Ruim 70 jaar geleden…  

Tijdens de grote vakanties mocht ik vaak voor één of twee weken ‘op verlof bi taante Stiena, ’n zuster van os ma’. Ze woonde met haar gezin, ‘hurre man, noonke Miel, en haar kinderen: Liesbeth, de betreurde Jan, Paul en Harrie’ in Lommel, eerst in de Lepelstraat, later in de Koning Leopoldlaan. Met Paul fietste ik soms naar en over het kanaal Bocholt / Herentals naar een viskuil in de Elzen’, nu het vakantiepark ‘Vossemeren’. We reden dan door dennenbossen (nu ‘Bosland’) over een smal bochtig pad, parallel met de ‘Gestelsedijk’. Met eigengemaakte vislijnen vingen we er uitzonderlijk wel ’s een ‘Roeioewg’. Na een boterham met siroop en enkele slokken dropwater bolde we gelukzalig en dolfijntrots terug naar huis. We slachtten de vis zelf en maakten hem panklaar ondanks Jans woorden: “Mê mennekes des nè te vr… èten”! ’s Avonds leidde me ‘Noonke Miel’ naar de beginselen van de filatelie: tandingen, postfris, frankering enz. Neef Paul introduceerde me in de schilderkunst. Hijzelf schilderde verdienstelijk in de stijl van ‘Groenenwegen’. 

En dan? Naar bed…

(Harrie Beks – Hamont, zondag 21.01.24)