Alaaf

Ondanks mijn jaarlijkse column in het ‘Teutegezètje’ ben ik niet ‘horendul’ van Bacchus en zijn dwaze mafkezen in mombakkesen. Nu ook ons weekblad ‘HAC’ weer uitpakte met een gezamenlijke Prinsenfoto uit hun verspreidingsgebied (Cranendonck, Pelt en Hamont-Achel) in hun vorige editie wil ik niet achterblijven. Vaag herinner ik me nog een carnavaleske caféprocessie uit de tijd van ‘Prins Lei de zoevulste van de Teutepeuters’.

Buren en kennissen troonden me toen mee op kroegentocht door Hamont. Weinig gewoon, kregen ze me al van in de derde kroeg met geen stok nog de straat op. Met zijn vieren samen zaten we gebeiteld te keuvelen, moppen te tappen, te lachen, te drinken. Alleen ‘t lawaai rondom verstoorde me letterlijk zo oorverdovend dat ik regelmatig roepen moest: “Ich verstuj ullie nè mê aal dê lawijt!” Met het opzetten van hun masker zetten sommige carnavalszotten hun eigenlijke masker af. Zo boog zich een onherkenbaar opgetuigde ‘wawwelair’ zich bazelend over ons tafeltje: “Beksken, och kin ich och, joajoa. Gi schrieft ummes van die onnuzel stukskes in dê reklamebluiken.” Beduusd en allicht al licht beneveld keek ik hem of haar wat dubbel aan, poetste ostentatief mijn carnavalsmontuur zonder glazen en vroeg: “Kin ich och och èèrges vaan, lapzwans?” Maar hij of zij hobbelde weg. Op het toilet – in de damesafdeling nota bene – stond Jo boven het lavabootje zijn ziel uit zijn lijf te kokhalzen. Lijkbleek, rood doorlopen ogen, op sterven na dood lalde laveloze lazarus tussen twee beurten door: “Ich wil no hoe…, hoe…, no hoews.” Een rijpere teutepeuterin, opgetut als Koningin Fabiola zaliger,   fleemde een fatterige adonis: “Schol schonne, knappe knul.” Tegen de zuiplap snauwde ze: “En geej, had op mê ow gejaank ovver ow zoate petêênten. Duut er wa oan, got gaaw no hoews!” Het drankorgel snotterde: “Joajoa, mêr ich wiejt nèmmer goe bo dê ‘ch wo…, wo…, bo dê ‘ch woon…” Op dat moment waggelde een topteutepeuter het ontlastingsparadijs binnen. Een lid van de raad van elf of een rustende – om niet te zeggen gekortwiekte – zwaluw? In vol ornaat, met zijn nepmedailles en dito pauwenveren boog hij zich, als een empathische Samaritaan, over de zieltogende kotser. Plots begon ‘de geploemde en gedecoreerde teut’ lang gerekt maar behoorlijk vals te zingen: “Zo ‘n goeie hebben wij nog nie gehad; zo ’n goeie hebben wij nog nie gehaad…!” Zelfs de overgever verrees uit zijn braaksel en kwijlde mee. En opnieuw, en opnieuw. Van op de pot constateerde hare Koninklijke Hoogheid: “Hei, pauweploem en draankurgel, ullie  ploat blieft stèèken…!”

Hoe en wanneer ik toen thuis geraakte, weet ik niet meer. Nog minder begrijp ik hoe mijn sleutel zijn gat vond. Ik ontwaakte nog wel in mijn eigen bed maar omgekeerd, met de voeten in hun schoenen op het hoofdkussen en met de houten kop tegen de houten beddenplank aan het voeteinde. De dag erna sputterde traag op gang. Het ontbijt dreigde vervaarlijk stil: geen geluid bij een troebel beeld! Mijn hersenen bonkten en maalden in hun pan: “Aalaaf…, aalop…”!? 

(Harrie Beks – Hamont, zondag 04.02.24)