Smokkelen

In de Hamonter historiek horen ‘smokkelairs’ en ‘kemmiezen’. Piepjong of stokoud, iedereen smokkelde in Hamont. Van ‘freubel’  tot ‘Mère Supérieure’, van ‘keuterboerke’ tot ‘nottoaris’, van ‘koowlputter’ tot ‘tantist’, van ‘slachter’ tot ‘zjunderm’, van ‘madam’ tot ‘meid’ van… “Joa,” vulde Groad aan: “Zelfs Menier den Dèken en Voader Abt trokken wel ’s de grens over vur ‘n kisje sigoaren of ‘n kruukske Bols. Gènne kemmies die ’t oandôôrst  onder ‘n toog of ‘n pij te friemelen of er iets verkierd zaat…”

’n Smokkelverhaal uit het jonge leven van tante Stiena, een zus van mijn moeder. Ze groeide op in Hamont, aan de Robbert. Haar ouderlijk huis stond pal ‘tiggen den iezeren weeg’, vlakbij de grens met ‘Buul-Schoewt’. ‘De kat bi ’t spek dus’! Op huwbare leeftijd leerde ze Emiel Ceelen kennen, een tot douanier omgeschoolde smokkelaar, ook uit Hamont, maar als ‘kommies’ werkzaam in Lommel. Mijn verbazing voor zijn carrièreswitch filosofeerde tante weg met: “Tja Herrike, Gods wegen zien ondoorgrondelijk”. Of ze vergoelijkte schalks: “Iedere boswaachter was uit ’n stroewper”! En ach ja, de liefde…

Ondanks de ‘mondelukse consuujm van Voaderke Stoat’ van haar ‘ega-kommies’ spuugde tante Stiena, als ‘Noonke Miel’ er niet bij was, haar misprijzen uit over douaniers. Ze noemde hen zonder blikken of blozen: “Hèggeschiejters! On den dunnen: hèggespèllers!” In eigen stukjes oral history vertelde ze graag, tot eigen scha en schande, over één van haar smeuïgste smokkelmiskleunen: “Op ‘t smokkelpeike dort ’t Asbroek, zoewa tussen de Buulder Toeëm en de Hamutter Mulk.” Daar liep tante ooit met kilo’s boter in haar opgetrokken onderrok recht in vier ‘kemmiezenarmen’. Haar dreigen: “Gillie smirrige voel hèggeschiejters blieft mê ullie tengels van mie liejf aaf of ich hoal ‘r de zjundêrremen bij,” baatte niet. De smokkelaarster werd afgevoerd naar het tolkantoor in de Keulenlaan. Daar werd ze op een stoel gezet naast een gloeiend opgepookte stoof. De vaste kilo’s werden vloeibare liters… Met haar boter smolt ook tergend traag haar verweer, haar onschuld en haar trots! Weemoedig leverde ze finaal al haar smokkelwaar ‘vlot en vloeiend’ in… Een oud Hamonter refreintje refereert naar dat smokkelverleden, met alles erop en eraan: “Wie kent Hamont niet dat dorpje, heel daarboven in ons land; waar de smokkelpaadjes lopen en de boevenwagen rijdt…?”.

Van de heuvels in Voeren tot aan het Zwin bij Knokke, in alle douanekantoren langs de Belgisch-Nederlandse grens zitten / zaten ‘unne hieleboel van zoegehèite, vergeliekbare heldendaden van kommiezen’ in de overlevering. Ook tot dat erfgoed behoort de hierboven vermelde, sappige anekdote van een tante-smokkelaarster uit Hamont. 

(Harrie Beks – Hamont, zondag 18.02.24)